

We worden begroet door de goden van de Olympus wanneer we de expositieruimte in het Louvre-Lens binnenstappen. Apollo, Athene, Hera en Aphrodite verwelkomen ons in de wereld van Homeros. Ook de muze Polyhymnia, die bij de dichters zorgde voor inspiratie, is van de partij.
De vraag die bij aanvang wordt gesteld, is wat het belang nog is van de Ilias en de Odyssee. Wat voor invloed hebben deze eeuwenoude verhalen tegenwoordig nog en hoe komt het dat we nog steeds de namen kennen van helden als Achilles, Patrokles of Penelope? Het belang is nauwelijks te onderschatten, zelfs tot op vandaag worden kunstenaars geïnspireerd door deze teksten zowel in de schilderkunst, muziek, film of het theater. Zelfs in onze taal zijn er uitdrukkingen overgebleven, denk maar aan de ‘achillespees’ of ‘zwakke plek’. Niet alleen brengen deze verhalen een oude wereld terug tot leven, Homeros is ook een meester in het schetsen van diepmenselijke emoties die nog steeds herkenbaar zijn. Het is de universaliteit van dit werk die maakt dat het actueel en belangrijk blijft. Kunst kan ons in contact brengen met die andere werelden en kan op die manier onze ogen openen waardoor de kans verkleint dat we met z’n allen vervallen in navelstaarderij.
Maar wie was die Homeros nu eigenlijk? Heeft hij wel echt bestaan? Een vraag die tot op heden onbeantwoord blijft. Onderzoekers gaan er vanuit dat hij degene was die begonnen is met de verhalen op te schrijven rond de 8e eeuw v.C., toen ook het Griekse schrift ontstond. In ieder geval zijn ze ontstaan uit een veel oudere, orale traditie. In de oudheid waren het de ‘aoidoi’, de ‘barden’ die de verhalen uit het hoofd reciteerden onder begeleiding van de lier. Om te bewijzen dat het mogelijk was dat één iemand zo’n 15.000 verzen uit het hoofd kende, werd er onderzoek gedaan naar barden in de Balkan die deze traditie nog levend houden. Vaak wordt Homeros voorgesteld als een oude, blinde man, maar zeker weten we dit niet. Sommige geleerden interpreteerden de betekenis van zijn naam “ὁ μὴ ὁρῶν”, als ‘de niet ziende’. De expositie toont enkele gebeeldhouwde hoofden en schetsen van hem. Later zorgden filologen ervoor dat de teksten opnieuw geschreven en vertaald werden en in de 18e en 19e eeuw werden er aan de universiteiten wedstrijden georganiseerd in de voordracht van de verzen. Dit alles heeft ertoe bijgedragen dat hij tot vandaag bekend bleef.

Wanneer we verder wandelen doorheen de tentoonstelling worden we eerst ondergedompeld in enkele scènes van de Ilias. Het eerste vers van dit epos klinkt als volgt: ‘Bezing, godin, de woede van Achilles, zoon van Peleus’. Hoewel het hele verhaal draait rond de oorlog van de Grieken tegen de Trojanen, toont dit vers ook aan dat de menselijke emoties zoals woede, verdriet, jaloezie en wraak bij Homeros een centrale rol spelen. Ik herinner mij nog goed hoe ik een brok in de keel kreeg bij het vertalen van de passage tijdens de les Oudgrieks waarin Andromache met hun zoontje Astyanax afscheid neemt van haar man Hektor, die het gevecht zal aangaan met Achilles. Ook al wordt het nog niet gezegd, je voorvoelt gewoon dat Hektor zal sterven in dit mythische gevecht en Andromache noch hun zoontje hem zal terugzien. Machteloos blijft zij achter op de muren van Troje. Ik herinner mij het medelijden dat ik voelde met Achilles wanneer hij verneemt dat zijn hartsvriend Patrokles werd gedood in de strijd, maar ook de walging die ik ervoer wanneer Achilles halsstarrig weigerde het dode lichaam van Hector terug te geven aan de Trojanen zodanig dat ze hem zoals het gebruik voorschreef een passende begrafenis konden geven. En hoe hij tot grote schande en immens verdriet van zijn oude vader, koning Priamos zijn lijk aan een strijdwagen bindt en hem aan de voeten door het zand sleept. Priamos schuift al zijn eergevoel en waardigheid aan de kant wanneer hij voor Achilles knielt en smeekt om het lichaam van zijn zoon terug te krijgen. Een prachtig schilderij dat deze scène illustreert is dat van Alexander Iwanow. Ook in de film Troje, met Brad Pitt in de hoofdrol, wordt dit mooi gespeeld.
Naast de menselijke emoties, beschrijft Homeros ook gedetailleerd de wapens en het materiaal van de helden. Van wapenschilden tot helmen, we kunnen ons precies voorstellen hoe het er moet uitgezien hebben. Ook de ‘epitheta ornans’ die worden gebruikt, helpen ons op weg, zoals de helmboswuivende Hector, de snelvoetige Achilles, de listige Odysseus of de wijnrode zee. Het zijn net die details die archeologen zoals Schliemann ertoe aangezet hebben om het bestaan van deze Homerische wereld aan te tonen met identieke vondsten.



Tussen de twee epossen door, krijgen we een moderne stamboom te zien van de hoofdpersonages die erin voorkomen. Het helpt om de draad in het complexe verhaal niet kwijt te raken.
Er wordt ook kort aandacht besteed aan de gedichten uit de cycli, waarnaar sporadisch wel verwezen wordt in de Ilias en de Odyssee, maar die eigenlijk op zich bestonden. Zo gaat het gedicht ‘De kleine Ilias’ onder meer over het houten paard van Troje. Een verwijzing hiernaar is het standbeeld van de Laocoöngroep dat in Rome werd gevonden. Het beeldt de Trojaanse priester Laocoön uit die samen met zijn zonen wordt verslonden door slangen. Hij is het die de list van de Grieken doorziet en de Trojanen waarschuwt voor het paard van Troje. Om hem te straffen gaf de godin Athena, Poseidon de opdracht slangen uit zee op hem af te sturen. Dit verhaal wordt slechts kort aangehaald in de Odyssee, het is de Romeinse schrijver Vergilius die hierover uitgebreider schrijft in de Aeneas.
Er hangt ook een mooi schilderij ‘Hélène et Pâris’ getiteld van Antoine-Jean Gros dat het gedicht ‘Cyprische gezangen’ illustreert waarin het Parisoordeel beschreven wordt.


Verderop neemt de expositie ons mee in het verhaal van de Odyssee. Geen heldendicht over oorlog deze keer, maar het verhaal van de listige Odysseus, koning van Ithaka en bedenker van het houten paard van Troje die na de Trojaanse oorlog nog tien jaar gedwongen rondzwerft over de Middellandse Zee samen met zijn manschappen. De wereld van de Odyssee is er één vol mythische figuren en bizarre monsters zoals Scylla, het zeskoppige monster, de eenogige Cyclopen en de Sirenen die door hun gezang de voorbijvarende boten op de kliffen te pletter lieten slaan. Maar er zijn nog meer uitdagingen op deze woelige tocht in de vorm van enkele vrouwelijke figuren. Zo is er de tovenares Kirke en de godin Calypso die hem elk bewustzijn van tijd ontneemt waardoor hij denkt zeven dagen gevangen te zitten op het eiland Ogygia in plaats van zeven jaar. En dan is er ook nog eens de bevallige Nausikaä, dochter van koning Alkinoös, die hem ontmoet op het strand en uiteindelijk met hem wil trouwen. Ik herinner mij ook goed hoe ontroerend ik de passage vond die we eveneens vertaalden in de les Oudgrieks waarin Odysseus eindelijk aankomt op Ithaka en hij als eerste na twintig jaar herkend wordt door zijn trouwe hond Argos die vervolgens sterft nadat hij zijn meester terug heeft gezien. Zijn oude voedster Eurykleia herkent hem vervolgens aan zijn voeten wanneer ze die na zovele jaren terug wast. Alweer geeft Homeros blijk van zijn inzicht in de menselijke psychè en weet hij als geen ander de menselijke emoties weer te geven.
Ook de Odyssee inspireerde heel wat kunstenaars en kan zelfs gezien worden als een symbool van het leven zelf. Een erg mooi voorbeeld hiervan is het gedicht ‘Ithaki’ van de Griekse schrijver Konstantinos Kavafis.
Beide epossen hebben niet enkel geïnspireerd, maar deden zelfs een ware ‘homeromanie’ ontstaan waarbij men ging dwepen met alles wat met Homeros te maken had. Schliemann las als bezeten de Ilias wat hem er uiteindelijk toe aanzette om bewijsstukken te gaan zoeken voor het bestaan van de Homerische wereld. Als archeoloog ontdekte hij de stad Troje en Mycene.
Ook schrijvers, zoals Victor Hugo, zagen in Homeros hun leermeerster en lieten zich voor hun eigen oeuvre inspireren door hem. De tentoonstelling toont verder ook foto’s van de fotograaf Frédéric Boissonnas die samen met Victor Berard in Odysseus’ kielzog over de Middellandse Zee reisde.

De tentoonstelling eindigt met een meer ludieke vraag: kan er ook met Homeros gelachen worden? Het antwoord is een brede glimlach bij het zien van enkele ironische prenten. En wil je echt iets grappigs zien, kijk dan eens naar dit filmpje van ’50 Nuances de Grecs’: https://www.youtube.com/watch?v=xsms6UuB2-o
We verlaten Homeros, maar mijn hoofd zit vol beelden. Het geluid van ruisende golven weerklinkt alsof ik net ook een hele reis heb gemaakt. De tentoonstelling eindigt met een filosofische zin boven de uitgang: ‘Toutes ces choses n’existent pas, mais elles durent encore.’
Het Louvre-Lens brengt opnieuw een geslaagde expositie die een bezoek meer dan waard is!

Ik bevind me in één van de loges van de Minard Schouwburg, op een houten stoel met elegante poten en een roodfluwelen zitting. Het heeft iets, bedenk ik mij, dat statige interieur met zijn met goud versierde balkons en barokke ornamenten, het geeft je ineens het gevoel geprivilegieerd te zijn, als één of andere prinses in haar koninklijke paleis. Toeschouwers stromen binnen, mensen wringen zich langs anderen die al zitten, sommigen bladeren in hun Odysseus krant die we bij de inkom toegestoken kregen. Er heerst rumoer, er hangt verwachting in de lucht. Ik bekijk aandachtig de scène. Achteraan een blauwverlicht doek met pieken, ik vermoed de bergen van het eiland Ithaka. Op het podium niets, behalve links en rechts een soort statieven met een gloeilamp op en metalen emmers. Waarschijnlijk het paleis.
Reeds vele jaren terug heb ik Odysseus voor het eerst ontmoet. Niet op Ithaka, niet in een paleis, maar in een kleine klas van drie waar we de Oud-Griekse tekst vertaalden naar het Nederlands samen met onze lerares. Ik keek er telkens opnieuw naar uit, naar die verhalen. We werden meegenomen in een wereld die ver voor de onze bestond en hoe wonderlijk dat wij nog steeds die oude woorden konden lezen, dat een stem zo oud nog steeds levendig sprak. Ik voelde me toen al bevoorrecht die verhalen te kunnen lezen. En nee, dat ging niet altijd vanzelf. Meer dan eens heb ik gevloekt als ik een zin in het Oud-Grieks niet ontcijferd kreeg en ik niet tot een correcte vertaling kwam. Dan vroeg ik mijn vader, die zelf ooit Oud-Grieks studeerde, en tot mijn grote bewondering nog volledige zinnen uit het hoofd kan opzeggen, of hij mij kon helpen. Hij kwam dan naast mij zitten. Gewapend met een vertaalwoordenboek, de ‘katalogos’ en het zalmkleurige grammaticaboek in A5 formaat gingen we de zinnen te lijf. Het was vaak zwoegen tot laat in de avond, maar ik heb het me nooit beklaagd. En mocht ik opnieuw mogen kiezen, ik koos net dezelfde studie. Een van de passages die mij het meeste bij bleven is die waarbij Odysseus bij zijn terugkeer als eerste wordt herkend door zijn trouwe hond Argos en daarna de passage waarbij zijn vrouw Penelope de proef op de som neemt door te vragen naar een geheim dat alleen zij twee kennen: hun bed dat hij zelf gemaakt heeft uit een eeuwenoude olijfboom die midden in de kamer groeide. Wanneer ze voorstelt om het te verplaatsen, antwoordt Odysseus verbouwereerd dat dit onmogelijk is. Daaraan weet Penelope dat hij echt Odysseus is. Het meest tot de verbeelding sprekend zijn zeker de passages met Kirke, de tovenares, Kalypso, de nimf, en de Sirenen, zeenimfen met het lichaam van een vogel die met hun verleidelijke zangen de zeelui lokken en hun schip laten stukslaan op de rotsen. En hoe mooi die aanhef: ‘Bezing mij, muze, de vindingrijke man, die zeer veel rondzwierf, nadat hij de heilige stad Troje verwoest had.’
Na een korte pauze komt een tweede acteur op scène. Frank Focketyn vertelt ons zang 14. Hierin ontmoet Odysseus zijn trouwe varkenshoeder Eumaios. Ik weet niet precies waarom, maar ik heb altijd een zekere sympathie gehad voor die varkenshoeder. Misschien omdat hij rechtuit is, down to earth. Bij het lezen of horen van het verhaal duikt bij mij spontaan een beeld van hem op. Een oudere man, met licht gekromde rug, gekleed in een juten mantel (hoewel ik niet weet of dat toen bestond – het zal waarschijnlijk eerder een wollen mantel geweest zijn), leunend op een houten herdersstaf. De plaats waar hij woont is een soort grot met in het midden een houtvuur waarop hij kookt, tegen de ene wand een houten bed met een schapenvacht erop en links en rechts zijn materiaal. Buiten een niet al te groot stuk grond waarop de varkens vrij rondlopen met hier en daar wat verdord gras en in de verte een olijfboom. Ook nu weer spreidt hij een groot blauw zeil uit op de vloer. De ene keer stelt het de zee voor, een boot, dan weer een mantel. Je moet het maar doen als acteur, daar staan met niets anders dan je lichaam, je stem en een stuk zeil. Maar Frank Focketyn overdondert, het verhaal is niet alleen in zijn stem gekropen, het zit ook in zijn lichaam. Het mooist is wanneer acteur en verhaal één worden. Dat is de echte uitdaging van wie een rol op zich neemt. Odysseus doet alsof hij iemand anders is, maar probeert Eumaios die hem vertelt over de vrijers en de reis van zijn zoon Telemachos, toch duidelijk te maken dat er weldra een einde komt aan al die ellende want dat Odysseus terug is. De varkenshoeder gelooft het niet. Je denkt: ‘Komaan Odysseus, vertel het hem! Overtuig hem!’ Je denkt: ‘Komaan Eumaios, geloof hem, kijk dan toch, zie wie er voor je staat!’
Acteur Tom Van Bauwel brengt ons zang 16. Ondertussen zitten we terug in onze loge. Al aan het einde van zang 13 werd het decor enigszins aangepast. Voor het doek waarop de bergen werden afgebeeld, staan een soort koperkleurige, vierkante spiegels op statieven. Ik heb me al een hele tijd zitten afvragen wat ze moeten voorstellen. Aanvankelijk dacht ik, zoals Homeros het zo mooi beschrijft, de rozevingerige dageraad. Tom Van Bauwel heeft niets anders bij dan een klein plastic flesje water. Deze keer geen blauw zeil, hij moet het dus met nog minder doen. Hij vertelt ons hoe Odysseus terug zijn echte gedaante aanneemt zodat Telemachos hem kan herkennen. Samen bedenken ze een plan tegen die afschuwelijke vrijers.
In zang 19 ontmoeten we Eurykleia, de voedster. Dit is nog één van mijn geliefde passages. Het is niet zijn eigen vrouw die hem eerst herkent, maar de vrouw die hem heeft grootgebracht. Odysseus en zijn zoon verwijderen eerst de wapens uit het paleis, waarna de bedelaar zijn ware identiteit onthult tegenover Penelope. Om te zien of hij de waarheid spreekt, haalt Penelope de oude voedster erbij. Ze beveelt Eurykleia hem een voetbad te geven. En het is aan het litteken op z’n voet dat ze Odysseus herkent. Steven Van Watermeulen brengt voor het eerst in deel III Iemand Niemand een dubbelrol. De spiegels zijn verschoven en zijn nu gecentreerd naar het midden van het podium. Ze weerkaatsen aanvankelijk nog steeds de spots die er van onderaan op gericht staan, maar de acteur zal ze ook verplaatsen en doen kantelen. Er komt weer een blauw doek aan te pas dat op het podium belandt. Op het einde transformeert de monoloog in een dialoog, gespeeld door hem alleen. Voor de spiegels staan twee krukjes opgesteld waar hij afwisselend op gaat zitten. Nu eens speelt hij Odysseus, dan weer Eurykleia. Hoewel hier de verschillende personages visueel opgesplitst worden, breng het mij eerder in de war. Alsof we nu ineens duidelijk gemaakt moeten worden dat er meerdere personages spreken. Alsof de verteller ineens toeschouwer wordt en de monoloog theater.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.