De Sporaden – Skiathos

Het is ochtend in de haven van Volos. De zon schijnt. Vandaag nemen we de boot naar het eiland Skiathos dat ten noorden van Athene in de Egeïsche Zee ligt. De ijzeren laadklep klapt open en schuift over de kade, waarna de bemanning van het schip de koorden losmaakt om voetgangers en auto’s binnen te laten. We laten onze bagage achter in het ruim en gaan zitten op een van de witte banken op het dek. Even later klinkt een vrouwenstem door de luidsprekers. Ze geeft ons enkele veiligheidswaarschuwingen, eerst in het Grieks dan in het Engels.

De boot glijdt zacht de haven uit. De reis begint. Niets mooier dan varen in Griekenland, de zon en de wind voelen, het landschap uit het zicht zien verdwijnen, de zee ruiken, de geur van de boot, Grieken die eindelijk ook eens niet praten, die gebogen over de reling of zittend op een bank met het rietje in hun mond slurpen van hun frappé en net als ik staren naar de horizon. De wind neemt mijn gedachten mee en mijn hoofd wordt leeg. Het zachte deinen maakt mijn lichaam rustig en het duurt niet lang of ik val in slaap. Wanneer ik mijn ogen open, zie ik dat we een klein groen eiland naderen. Ik zie witte huizen met rode daken en vissersboten die aangemeerd liggen bij de kade. Elk eiland is anders. Heeft zijn eigen karakteristieken. En daarom ben ik telkens weer benieuwd. Alsof het om een nieuwe ontmoeting gaat, een nieuw avontuur. De Griekse stem die opnieuw door de luidsprekers klinkt bedankt ons om gekozen te hebben voor Hellenic Seaways en wenst ons een goed verblijf. We gaan de trappen naar beneden om onze bagage te halen in de laadruimte. Dan gaat de buik van de boot weer open en zetten we voet aan wal op Skiathos.

De sfeer van een eiland is altijd helemaal anders dan die van een stad. Alsof de wereld nog net iets trager gaat, de zon nog net iets warmer schijnt en de dagelijkse beslommeringen nog net iets verder weg lijken. Alsof ze tegenwind vangen en het daardoor moeilijk voor hen is mee de zee over te steken. We gaan zitten op één van de terassen aan de haven en bestellen een freddo en ontbijt. Ik zak weg in de witte kussens en geniet. Een hele dag zou ik hier kunnen doorbrengen. Niets doen en turen naar de zee. Naar de Grieken die voorbijzoemen op hun scooters met aan beide handvaten of tussen hun voeten witte plastic zakken met boodschappen. Naar de toeristen die flaneren langs de kade. Naar de obers die opdienen en afruimen. Naar Griekse katten die genesteld op een stoelkussen nog het meest van al de kunst van ataraxie lijken te beheersen, tenzij er ergens vis wordt geserveerd. Mijn reisgenoot haalt me uit mijn mijmering. ‘Zullen we de huurauto reserveren?’ Ik knik. Het kantoor ligt achter het caféterras dus blijf ik bij de bagage zitten, terwijl hij de papieren gaat invullen. Even later zitten we in de auto op weg naar ons verblijf.

We volgen de hoofdweg langs de zee. Er zijn niet zoveel wegen dus echt verloren rijden, kan je hier niet maar voor we het weten zijn we toch voorbij gereden. Toegegeven, ik ben geen uitmuntende kaartlezer, maar zonder duidelijk bord langs de weg valt het ook niet echt op. Ineens herken ik een strand op de kaart waar we devolgende dag heen willen, maar dat een stuk verder ligt dan het verblijf. We maken rechtsomkeer en na tien minuten rijden, vinden we Paris House toch. We worden vriendelijk onthaald en begeleid naar onze studio. Er is een mooie tuin en vooraan is er een taverne.

Tegen de avond keren we terug naar de haven. Het stadje is erg gezellig. We wandelen langs taverna’s, barretjes en winkels met souvenirs. Het is heel wat drukker dan daarnet. We volgen enkele kleine straatjes en komen uit op een mooi binnenplein. ‘Zullen we hier eten?’ vraag ik. De ober die ons heeft zien staan, komt snel naar ons toe. ‘Kan ik jullie helpen?’ We geven aan dat we willen eten waarna hij ons meeneemt naar een tafeltje waar een fuschiakleurige bougainville naast groeit. De geur die uit de keuken komt, doet je honger krijgen.

Taverne Mouria bevindt zich in één van de oudste huizen van Skiathos. De Griekse schrijver Alexandros Papadiamantis kwam hier vroeger vaak aan een tafeltje zitten om te schrijven terwijl hij zijn geliefde ‘mosxato’ wijn dronk. Dat vertelt de vriendelijke ober ons wanneer hij hun zelfgemaakte witte huiswijn komt uitschenken. Ik voel mij meteen op mijn plek. De schorpioenvis die we hebben besteld, komt op z’n geheel met kop en stekels. Hij vraagt of we willen dat hij hem fileert. ‘Het lukt wel.’ antwoord ik. Zo moet je ze eten. Vers gevangen die dag, gebakken op de grill en met niets anders geserveerd dan een schijfje citroen. De schorpioenvis heeft stevig wit vlees en smaakt heerlijk. Wanneer de ober de borden komt afruimen, blijven enkel de graten over. De katten kijken ons misnoegd aan en vertrekken teleurgesteld naar een andere tafel in de hoop daar een restje te bemachtigen. Ze springen niet op je schoot, ze miauwen of klauwen niet maar kijken je aan met een blik die het grootste medelijden opwekt. Naast ervaren filosofen zijn het ook schitterende acteurs.  ‘Ik zie dat jullie kenners zijn.’ zegt hij. ‘Sommigen laten een halve vis liggen omdat ze niet weten hoe hem te fileren.’ Ik glimlach omwille van het compliment.

Devolgende dag rijden we richting ‘Kastro’, een restant van een Middeleeuws kasteel uit de 14e eeuw in het noordoosten van het eiland. Het is nog vroeg in de ochtend wanneer we aankomen. We zijn met de auto gereden tot waar de weg ophoudt. Van hier begint een aarden weg die door een pijnboombos loopt. Gelukkig staan er peilen want het Kastro is van hier niet te zien en je zou al snel denken dat je de verkeerde richting opgaat. Omdat we niet zeker zijn of we verder kunnen rijden, laten we de auto achter. Na een stuk door het bos gelopen te zijn, verandert het aarden weggetje in een geplaveid pad. Omdat het nog zo vroeg is, zijn we hier alleen. We lopen niet meer in de schaduw van de pijnbomen en de zon brandt al fel. Gelukkig hebben we water bij. Na zo’n twintig minuten afdalen, zien we in de verte de rots verschijnen met het Kastro. De hemel is blauw met slechts enkele witte wattenwolken die zo dichtbij lijken dat ik geneigd ben mijn hand uit te steken om ze aan te raken. Het geplaveide pad houdt opnieuw op. Om het Kastro te beklimmen moet je langs een aarden paadje met losse stenen. Langs de rand groeien prachtige distels met paarse bloemen en bij de struiken met gele bloemen zit het vol citroenvlindertjes. Behalve de wind is het stil. Achter de steile rotsen beneden verschijnt een strand dat er verlaten bij ligt.

Om zich te beschermen tegen de aanvallen van de barbaren verlieten de inwoners van Skiathos de Byzantijnse hoofdstad die nu Skiathos-stad is en bouwden ze het Kastro dat door zijn natuurlijke ligging op de rots veel gemakkelijker te verdedigen was. Het kasteel was enkel te bereiken via een houten ophaalbrug. Binnen de omringende muren stonden er vierhonderd huisjes, waren er wel twintig kerken en beschikten ze over watertanks met drinkbaar water. Tijdens de Turkse bezetting werd er ook een moskee gebouwd. Bij de ingang stond er een enorme ketel met hete olie die ze over mogelijke indringers goten en in de toren stond ook een kanon. Uiteindelijk keerden de overgebleven inwoners in 1829 terug naar Skiathos. Wat ze konden recuperen aan materialen namen ze mee.

We klimmen tussen de rotsen terug en volgen het pad. Mijn voeten zweten en glijden in mijn teenslippers. Het duurt niet lang of mijn huid schuurt open. Altijd handig om sportschoenen mee te nemen en ze dan in de auto te laten staan. Er is een lading toeristen toegekomen die zich nu een weg naar het kasteel proberen banen. Omdat het zo smal is, moet één van beiden steeds opzij. Het is nog warmer dan daarstraks en ik heb vreselijke dorst. Onze waterflessen zijn leeg. Terug op het geplaveide pad zoek ik zoveel mogelijk het klein streepje schaduw op van de pijnbomen. Ik weet dat het nog een heel stuk terug is en mijn open blein brandt. ‘Straks ontsmetten.’ zegt mijn reisgezel bezorgd. ‘Straks de zee in!’ antwoord ik hem. ‘Het zout zal de wonde snel genezen.’

Na tien minuten stappen zie ik een soort barakje afgezet met een rieten omheining en omringd met roze oleanders. Er staan blauwe tafels met witte stoelen en enkele bankjes. Wanneer ik het handgeschreven bord zie met ‘ouzo – water – softdrinks’ hou ik onmiddellijk halt. Ik hoor gerommel binnenin maar zie eerst niemand. We gaan toch zitten. Dan komt een vrouw buiten. Ze begroet ons, vraagt wat we willen drinken en gaat daarna onverstoord verder met de bloemen water te geven. Omdat de straal van de tuinslang overal heen spuit, worden ook de stoelen nat. Er komt een Engels koppel binnen. Ze willen gaan zitten op de natte stoelen, maar de vrouw grijpt net op tijd in. Ze bestellen bier. Hij heeft een grote buik en is roodverbrand. Zij heeft wild golvend bond haar. Terwijl we allen wachten op drank, bestudeert zij de kaart van het eiland en overlegt met haar man wat ze hierna willen bezoeken. Het ergert mij dat de vrouw eerst de bloemen water geeft want het lijkt mij dat ik meer dorst heb. Wanneer ze eindelijk komt met mijn versgeperste fruitsap zuig ik het glas bijna in een keer leeg. We blijven even zitten op dit gezellige terrasje in de koelte van de schaduw en vervolgen dan de tocht naar de plek waar we de auto achterlieten. Tegenover het barretje bleek nog een parking te zijn. Je kon dus eigenlijk nog veel dichter rijden. Op het moment dat we door het pijnbos lopen, komt een auto ons tegemoet gereden. Hij doet de droge aarde opwaaien in een bruine stofwolk. De bestuurder draait z’n raampje naar beneden en vraagt of het mogelijk is om verder te rijden. We zeggen hem dat het geen probleem is.

Ik heb gelezen dat de stranden aan de noordkust van Skiathos nog ongerept zijn en dus wil ik er heel graag één bezoeken. Alleen is het moeilijk er te geraken omdat er langs deze kant van het eiland weinig verharde wegen zijn. Tussen een veld met olijfbomen zien we dat er een weg naar beneden loopt en in de buurt ervan staat ook een pijl met ‘beach’ erop. Beneden schittert inderdaad een turkooisblauwe zee. In mijn enthousiasme overtuig ik mijn reisgenoot om het pad op te gaan. ‘Ben je zeker?’ vraagt hij meewarig. Het eerste stuk lukt vrij goed. We rijden met een slakkengangetje over het hobbelige pad naar beneden. Maar hoe verder we rijden hoe minder pad erover blijft tot er uiteindelijk alleen nog stenen en verdord gras overschieten. ‘Wat nu?’ Ik stap uit. ‘Ik ga kijken!’ Ik wil zo graag bij het strand geraken, maar het pad lijkt er verder niet beter op te worden. Dit kan onze kleine huurauto niet aan. Teleurgesteld stap ik weer in. Traag hobbelend over de keien keren we terug naar de verharde weg. Niet veel verder komen we een restaurant tegen en gezien het toch al middag is besluiten we te stoppen. We krijgen een tafeltje op het balkon vanwaar je een prachtig uitzicht hebt over de zee. Ik heb het wat frisjes en trek mijn pull aan. Even later komen ook de Engelsen die we eerder in het barretje zagen toe. Ik bestel ‘gemista’, gevulde groenten. Ze zijn perfect klaargemaakt. Onder ons zie ik een moestuin die vol staat met pepers en tomaten. Verser dan dit kan niet. 

Skiathos heeft heel wat mooie stranden. We kiezen Koukounaries, wat dennenappels betekent, eruit omdat het zo geprezen wordt om zijn goudgele zand, het kristalheldere water en zijn groene pijnbomen die het strand omzomen. Het bos vormt samen met het zoetwatermeer Strofylia een beschermd natuurgebied en is een trekpleister voor heel wat vogels.

Het eiland is klein en na een half uurtje rijden, zijn we al op bestemming. We parkeren de auto onder de schaduw van een boom en pakken onze strandspullen eruit. Zoals ik had verwacht is het vrij druk, maar gelukkig is het al late namiddag waardoor sommigen al naar hun hotel terugkeren om zich klaar te maken voor het avondeten en vinden we nog een vrije strandstoel. Het zand voelt heerlijk zacht, het water is niet te koud en de zon geeft juist genoeg warmte. Wanneer de zon wegzakt en mijn ligbed in de schaduw komt te liggen, rapen we onze spullen terug bij elkaar.

’s Avonds gaan we nog een cocktail drinken bij de haven in Skiathos-stad. Aan de kade tegenover ons liggen toeristenboten met grote posters die excursies aankondigen. De meeste bieden de trip aan naar de plek waar er gefilmd werd voor ‘Mamma Mia’. Voorbijgangers worden prompt aangeklampt door een verkoopster die ernaast staat. Als ze geen interesse tonen voor de musical dan kunnen ze ook nog altijd naar het prachtige strand ‘Lalaria’ waar je enkel en alleen met de boot kan komen. Er liggen ook heel wat dure yachten in de haven. Vrouwen die eruit zien als Paris Hilton komen ’s avonds van boord en gaan op hoge hakken en doorzichtige jurken naar trendy cocktail bars om vertier op te zoeken. Hun mannen dragen gouden kettingen en witte broeken. Ik hou niet zo van die mondaine wereld, maar het is wel leuk om naar te kijken. Eén cocktail lang. Langer hoeft het niet.

De volgende ochtend stel ik voor om koffie te gaan drinken aan het strand tegenover ons verblijf. Het heeft net zo’n goudgeel zand als dat van Koukounaries, alleen komen de pijnbomen hier niet zo dichtbij het strand. Het is nog vroeg en er is weinig volk. Koffie drinken, de zon voelen en over de zee uit staren. Er is geen heerlijker manier om wakker te worden!

Thessaloniki

Witte Toren – Λευκός Πύργος

20130703_180426Wanneer je wandelt langs de zee op de mooie Nikis boulevard, zie je reeds in de verte het symbool van Thessaloniki verschijnen, de Lefkos Pyrgos of de Witte Toren. Deze toren maakte oorspronkelijk deel uit van een Byzantijnse versterking, maar werd later door de Ottomanen herbouwd om de haven te verdedigen. Tijdens de Ottomaanse periode deed de toren ook dienst als gevangenis en werden er massa-executies uitgevoerd. Toen de Grieken zich echter bevrijdden van de Ottomanen, maakten ze de toren symbool van hun onafhankelijkheid.  De toren die ook de bloedtoren werd genoemd, als verwijzing naar de vele executies, werd nu witgekalkt en kreeg vanaf dan de naam Witte Toren. De toren ziet er vandaag eerder beige uit dan wit en doet tegenwoordig dienst als museum. Via een trap aan de binnenkant kan je bovenop de toren geraken vanwaar je een prachtig uitzicht hebt. Als je na het wandelen zin hebt om even te gaan zitten, is er keuze te over aan gezellige cafeetjes. Langs de Nikis boulevard ligt het ene café naast het andere met zicht op de zee. Dit is de ontmoetingsplaats voor Grieken, hier komen ze voor hun dagelijkse koffie. Zelfs als het koud is zitten de terrassen vol, ze zijn immers voorzien van verwarmingselementen. Een ding is zeker, een Griek kan niet zonder zijn koffie!

Tsimiski straat – Οδός Τσιμισκή

Parallel aan de Nikis boulevard loopt iets hoger de Odos Tsimiski, de winkelstraat bij uitstek. Vrouwen op torenhoge hakken flaneren zonder waggelen en zonder struikelen van de ene vitrine naar de andere. Wat niet meteen een evidentie is als je weet hoe Griekse voetpaden eruit zien. Vaak oneffen, gebobbeld, soms plots versmallend of ophoudend, met lage bomen die plots opduiken op het midden van de stoep – ja inderdaad in de zomer geven ze de nodige schaduw, maar waarom in het midden van de stoep? – en natuurlijk niet te vergeten de fout geparkeerde auto’s die met hun neus of achterste het pad versperren. We moeten wel toegeven dat ondanks de onhebbelijke gewoonte van Grieken om overal zo dicht mogelijk te parkeren om toch maar niet te hoeven stappen, het ook een feit is dat er vaak te weinig parking is voorzien. Logisch dus dat men dubbel gaat parkeren en op de stoep gaat staan. Een parkeerplaats vinden in hartje Thessaloniki is dan ook geen sinecure. Dus dan maar zoveel mogelijk te voet. En Thessaloniki is een stad die zich uitstekend leent om te voet te verkennen. De meeste bezienswaardigheden liggen niet heel ver uit elkaar. Voor vrouwen op hoge hakken of niet, is de Tsimiski straat hoedanook een erg leuke plek om te wandelen en te winkelen.

De Ladadika – Τα Λαδάδικα

Ta LadadikaWie van al het wandelen honger heeft gekregen, moet absoluut naar de buurt die Ta Ladadika heet. Deze charmante oude wijk met zijn geplaveide nauwe straatjes en oude huizen heeft een grote keuze aan restaurants en tavernes en is zowel overdag als ’s avonds heel gezellig. Ook hier zijn de terrassen vaak overdekt en verwarmd en zelfs wanneer de regen met pijpenstelen uit de lucht valt, blijven de Grieken onverstoord verder eten. Het heeft zelfs zijn charme, het gekletter van de regen op de kasseien die wanneer ze nat zijn gaan glanzen en de kleurrijke verlichting van de restaurants weerspiegelen, luid babbelende Grieken die het geluid van de regen en andere bezoekers willen overstemmen en op de achtergrond de klanken van Griekse muziek. Ta Ladadika was oorspronkelijk een Joodse buurt waar olijfolie verhandeld werd. De naam verwijst dan ook naar het Griekse woord ‘ladi’ wat ‘olie’ betekent.

 

Archeologisch Museum – Αρχαιολογικό Μουσείο

Archeologisch Museum ThessalonikiDe laatste jaren is er enorm veel werk geleverd om de musea van Griekenland te moderniseren. Een absoluut mooi voorbeeld daarvan is het Archeologisch Museum van Thessaloniki dat zich niet ver van de Witte Toren bevindt. Steeds vaker worden de nieuwste technologische snufjes aangewend om de vondsten nog beter tot hun recht te laten komen en om de historische achtergrond te schetsen. Waar je op het eerste zicht zou denken dat deze moderne technologie de oude vondsten eerder doet zwijgen dan spreken, blijkt dit toch niet het geval. Het lijkt wel dat door de verschillende projecties en de mogelijkheid tot interactie het verhaal achter deze objecten nog meer tot leven komt. Daar waar je op de site zelf vooral je eigen fantasie nodig hebt om de stenen tot leven te wekken, helpt de moderne technologie je in het museum om dit te doen. Ook aan de belichting is in dit museum heel wat aandacht besteed. Men kan gerust enkele uren doorbrengen in dit prachtige museum.  Er zijn heel wat objecten tentoongesteld uit de Macedonische periode waaronder ook de vele fijn gesculptureerde goudvonsten. De wellicht bekendste vondst van het museum is echter de zogenaamde Derveni krater. Deze impressionante krater die opgegraven werd in het dorp Derveni, beeldt het mythologische verhaal uit van Dionysos en Ariadne.

Odysseus – een zwerver komt thuis

20170417_125728Ik bevind me in één van de loges van de Minard Schouwburg, op een houten stoel met elegante poten en een  roodfluwelen zitting. Het heeft iets, bedenk ik mij, dat statige interieur met zijn met goud versierde balkons en barokke ornamenten, het geeft je ineens het gevoel geprivilegieerd te zijn, als één of andere prinses in haar koninklijke paleis. Toeschouwers stromen binnen, mensen wringen zich langs anderen die al zitten, sommigen bladeren in hun Odysseus krant die we bij de inkom toegestoken kregen. Er heerst rumoer, er hangt verwachting in de lucht. Ik bekijk aandachtig de scène. Achteraan een blauwverlicht doek met pieken, ik vermoed de bergen van het eiland Ithaka. Op het podium niets, behalve links en rechts een soort statieven met een gloeilamp op en metalen emmers. Waarschijnlijk het paleis.

20170318_105737Reeds vele jaren terug heb ik Odysseus voor het eerst ontmoet. Niet op Ithaka, niet in een paleis, maar in een kleine klas van drie waar we de Oud-Griekse tekst vertaalden naar het Nederlands samen met onze lerares. Ik keek er telkens opnieuw naar uit, naar die verhalen. We werden meegenomen in een wereld die ver voor de onze bestond en hoe wonderlijk dat wij nog steeds die oude woorden konden lezen, dat een stem zo oud nog steeds levendig sprak. Ik voelde me toen al bevoorrecht die verhalen te kunnen lezen. En nee, dat ging niet altijd vanzelf. Meer dan eens heb ik gevloekt als ik een zin in het Oud-Grieks niet ontcijferd kreeg en ik niet tot een correcte vertaling kwam. Dan vroeg ik mijn vader, die zelf ooit Oud-Grieks studeerde, en tot mijn grote bewondering nog volledige zinnen uit het hoofd kan opzeggen, of hij mij kon helpen. Hij kwam dan naast mij zitten. Gewapend met een vertaalwoordenboek, de ‘katalogos’ en het zalmkleurige grammaticaboek in A5 formaat gingen we de zinnen te lijf. Het was vaak zwoegen tot laat in de avond, maar ik heb het me nooit beklaagd. En mocht ik opnieuw mogen kiezen, ik koos net dezelfde studie. Een van de passages die mij het meeste bij bleven is die waarbij Odysseus bij zijn terugkeer als eerste wordt herkend door zijn trouwe hond Argos en daarna de passage waarbij zijn vrouw Penelope de proef op de som neemt door te vragen naar een geheim dat alleen zij twee kennen: hun bed dat hij zelf gemaakt heeft uit een eeuwenoude olijfboom die midden in de kamer groeide. Wanneer ze voorstelt om het te verplaatsen, antwoordt Odysseus verbouwereerd dat dit onmogelijk is. Daaraan weet Penelope dat hij echt Odysseus is. Het meest tot de verbeelding sprekend zijn zeker de passages met Kirke, de tovenares, Kalypso, de nimf, en de Sirenen, zeenimfen met het lichaam van een vogel die met hun verleidelijke zangen de zeelui lokken en hun schip laten stukslaan op de rotsen. En hoe mooi die aanhef: ‘Bezing mij, muze, de vindingrijke man, die zeer veel rondzwierf, nadat hij de heilige stad Troje verwoest had.’

Ἄνδρα μοι ἔννεπε, Μοῦσα, πολύτροπον,

ὃς μάλα πολλὰ πλάγχθη,

ἐπεὶ Τροίης ἱερὸν πτολίεθρον ἔπερσε.

Het geluid van een sirene weerklinkt, de lichten worden gedoofd. De eerste acteur komt op scène, spreidt een blauw doek die hij opgerold onder z’n arm droeg, uit op de planken. Valentijn Dhaenens vertelt ons in zang 13 hoe Odysseus door de Faiaken, een gastvrij volk dat op het eiland Scheria woont, naar Ithaka wordt gebracht waar hij ontwaakt. Scheria of Phaeacia zou overeenkomen met het huidige Corfu, hoewel er twijfel bestaat en sommigen van mening zijn dat het om Kreta zou gaan. ‘Pontikinisi’, het ‘muizeneiland’ bij Corfu zou trouwens het versteende schip van de Faiaken voorstellen. Hoedanook, het is Nausicaä, de dochter van Alkinoös, koning van de Faiaken die Odysseus vindt op het strand van Scheria en hem naar het paleis brengt waar hij gastvrij wordt ontvangen. Wanneer het schip aankomt op Ithaka weet Odysseus aanvankelijk niet waar hij zich bevindt, maar de godin Athene verschijnt aan hem en onthult hem dat hij zich in z’n vaderland bevindt. Penelope die in hun paleis belaagd wordt door opdringerige vrijers die maar al te graag zijn plaats willen innemen, probeert met allerlei listen het gedwongen huwelijk uit te stellen. Dat de vrijers niet op zijn terugkeer zitten te wachten, mag duidelijk zijn. Om Odysseus te helpen tegen de vrijers vermomt de godin Athene hem in een oude bedelaar. De monoloog is soms verwarrend, in die zin dat de acteur én verteller is én ook afwisselend een ander personage dat nu eens met de stem van Odysseus spreekt of met die van Athene. Maar het verhaal blijft gelukkig niet plakken op het podium, het vult de ruimte en reikt tot bij de toeschouwers. De acteur heeft voldoende vertelkracht om de woorden tot leven te wekken en ons mee te nemen op deze reis.

“Wanneer je op weg gaat naar Ithaka, hoop dan dat je reis lang mag zijn…”

Ik moet denken aan de eerste zin uit het beroemde gedicht van Konstantinos Kavafis, ‘Ithaki’. Voor mij één van de meest krachtige en symbolische gedichten ooit. Niet alleen is het een prachtige weergave van de Odyssee, het is eveneens de representatie van het leven zelf. Deze tweeledige symboliek is bijzonder en het is een gedicht dat altijd in mijn koffer zit en dat nu en dan, wanneer ik het soms vergeet dat het er is, opduikt van tussen de kledij en de schoenen. Het is een gedicht dat ik pas veel later heb ontdekt en ik heb me ook toen al tijdens de lessen afgevraagd waarom er niet meer een link werd gelegd tussen de antieke en moderne geschiedenis van Griekenland. Maar goed, het maakt reizen des te interessanter als er nog altijd nieuwe dingen te ontdekken zijn.

20170318_120229Na een korte pauze komt een tweede acteur op scène. Frank Focketyn vertelt ons zang 14. Hierin ontmoet Odysseus zijn trouwe varkenshoeder Eumaios. Ik weet niet precies waarom, maar ik heb altijd een zekere sympathie gehad voor die varkenshoeder. Misschien omdat hij rechtuit is, down to earth. Bij het lezen of horen van het verhaal duikt bij mij spontaan een beeld van hem op. Een oudere man, met licht gekromde rug, gekleed in een juten mantel (hoewel ik niet weet of dat toen bestond – het zal waarschijnlijk eerder een wollen mantel geweest zijn), leunend op een houten herdersstaf. De plaats waar hij woont is een soort grot met in het midden een houtvuur waarop hij kookt, tegen de ene wand een houten bed met een schapenvacht erop en links en rechts zijn materiaal. Buiten een niet al te groot stuk grond waarop de varkens vrij rondlopen met hier en daar wat verdord gras en in de verte een olijfboom. Ook nu weer spreidt hij een groot blauw zeil uit op de vloer. De ene keer stelt het de zee voor, een boot, dan weer een mantel. Je moet het maar doen als acteur, daar staan met niets anders dan je lichaam, je stem en een stuk zeil. Maar Frank Focketyn overdondert, het verhaal is niet alleen in zijn stem gekropen, het zit ook in zijn lichaam. Het mooist is wanneer acteur en verhaal één worden. Dat is de echte uitdaging van wie een rol op zich neemt. Odysseus doet alsof hij iemand anders is, maar probeert Eumaios die hem vertelt over de vrijers en de reis van zijn zoon Telemachos, toch duidelijk te maken dat er weldra een einde komt aan al die ellende want dat Odysseus terug is. De varkenshoeder gelooft het niet. Je denkt: ‘Komaan Odysseus, vertel het hem! Overtuig hem!’ Je denkt: ‘Komaan Eumaios, geloof hem, kijk dan toch, zie wie er voor je staat!’

Pauze. De lichten gaan aan. We verlaten in sneltempo de loge want we hebben welgeteld twintig minuten om iets te eten. Op het menu staat Odyssoep, een Penelopeslaatje en Moussakalypso. We gaan voor de moussaka die we opeten aan de bar. Het smaakt naar meer. Hoewel we ons haasten, gaat de sirene al om het begin aan te kondigen. Om de acteurs niet te storen, wordt wie later is niet meer toegelaten. We blijven dus zitten aan de bar. De voorstelling wordt gefilmd en dus kunnen we hier verder volgen op een scherm. Het geluid wordt wat hoger gezet, maar door het rumoer en geklater van borden en bestek kan je nauwelijks horen wat er gezegd wordt. Zang 15 waarin de godin Athena Odysseus’ zoon Telemachos gebiedt te vertrekken uit Sparta wordt gebracht door Soufiane Chilah en ontgaat ons jammer genoeg. We maken van de nood een deugd en bestellen nog een drankje.

20170318_135641Acteur Tom Van Bauwel brengt ons zang 16. Ondertussen zitten we terug in onze loge. Al aan het einde van zang 13 werd het decor enigszins aangepast. Voor het doek waarop de bergen werden afgebeeld, staan een soort koperkleurige, vierkante spiegels op statieven. Ik heb me al een hele tijd zitten afvragen wat ze moeten voorstellen. Aanvankelijk dacht ik, zoals Homeros het zo mooi beschrijft, de rozevingerige dageraad. Tom Van Bauwel heeft niets anders bij dan een klein plastic flesje water. Deze keer geen blauw zeil, hij moet het dus met nog minder doen. Hij vertelt ons hoe Odysseus terug zijn echte gedaante aanneemt zodat Telemachos hem kan herkennen. Samen bedenken ze een plan tegen die afschuwelijke vrijers.

We hebben opnieuw twintig minuten pauze en besluiten naar buiten te gaan om even frisse lucht op te snuiven. Ik kijk uit naar de volgende passage want in zang 17 wordt Odysseus die samen met Eumaios op weg is naar het paleis en nu opnieuw vermomd is als oude bedelaar voor het eerst echt herkend door zijn trouwe hond Argos. Frank Dierens neemt deze keer de rol op zich en doet dat innemend. Het is ook de enige keer dat ik het gevoel krijg dat de onzichtbare grens tussen acteur en toeschouwer verbroken wordt. Misschien omdat hij op de rand van het podium gaat zitten, zijn benen erover bungelend waardoor het lijkt of hij net iets minder acteur wordt en een klein stukje meer toeschouwer. Of misschien is het gewoon de manier waarop hij het brengt. Van alle kostumeringen vind ik de zijne het mooist: een wijde, wollen witte mantel. Ik weet niet waarom de andere kostuums steeds donkerblauw of zwart waren en deze nu wit. Het valt me ook op dat de spiegels zijn gedraaid waardoor ze geen licht weerkaatsen. Ik begrijp evenmin waarom. Is het nu nacht? Is het donker in het paleis?

In zang 18 komt Odysseus aan in het paleis waar Penelope met de vrijers rond de tafel zit. Reeds vroeger al, zat ik ongeduldig te wachten tot Penelope volledig geschrokken uit zo roepen: ‘Odysseus, je bent terug!’ Maar dat gebeurt niet. Homeros vond het te vroeg voor de apotheose. Penelope herkent Odysseus niet. Ik weet nog dat het mij ook toen in de klas al triestig stemde. Hoe kon ze nu haar eigen man niet herkennen, zelf al was hij vermomd als bedelaar. Kris Cuppens brengt ons de meest robuuste versie. Alleen al de donkere mantel die in verschillende lagen over zijn schouders gedrapeerd hangt, heeft iets woest. Met zijn handen maakt hij manhaftige gebaren terwijl hij met brute stem de beledigingen van de vrijers in Odysseus’ gezicht spuugt. Naar het einde toe gooit hij zijn donkere mantel op het podium en beëindigt zijn monoloog in blote bast. De Mediterraanse macho is niet veraf. Wat het decor betreft, hebben enkel de spiegels een wijziging ondergaan. Ze zijn nu licht gekanteld en weerkaatsen het spotlicht dat vanonder aan het statief is bevestigd. Op het doek achteraan waarop daarnet nog een witachtig licht te zien was, is er nu een rode gloed geprojecteerd , als van de ondergaande zon.

Nog een laatste pauze van twintig minuten. Ideaal om beneden nog een stukje Griekse sinaasappelcake te proeven. Grieks gebak is vaak mierzoet. Maar ook dit smaakt naar meer. Het gebakje heeft de juiste balans tussen het zoet van de siroop en het bitter van de sinaasappelen. Het werd ook mooi afgewerkt met halve partjes ingemaakte sinaasappelschijfjes. Terug op krachten keren we terug naar onze loge, die na bijna een halve dag theater, als onze plek voelt.

20170318_165838In zang 19 ontmoeten we Eurykleia, de voedster. Dit is nog één van mijn geliefde passages. Het is niet zijn eigen vrouw die hem eerst herkent, maar de vrouw die hem heeft grootgebracht. Odysseus en zijn zoon verwijderen eerst de wapens uit het paleis, waarna de bedelaar zijn ware identiteit onthult tegenover Penelope. Om te zien of hij de waarheid spreekt, haalt Penelope de oude voedster erbij. Ze beveelt Eurykleia hem een voetbad te geven. En het is aan het litteken op z’n voet dat ze Odysseus herkent. Steven Van Watermeulen brengt voor het eerst in deel III Iemand Niemand een dubbelrol. De spiegels zijn verschoven en zijn nu gecentreerd naar het midden van het podium. Ze weerkaatsen aanvankelijk nog steeds de spots die er van onderaan op gericht staan, maar de acteur zal ze ook verplaatsen en doen kantelen. Er komt weer een blauw doek aan te pas dat op het podium belandt. Op het einde transformeert de monoloog in een dialoog, gespeeld door hem alleen. Voor de spiegels staan twee krukjes opgesteld waar hij afwisselend op gaat zitten. Nu eens speelt hij Odysseus, dan weer Eurykleia. Hoewel hier de verschillende personages visueel opgesplitst worden, breng het mij eerder in de war. Alsof we nu ineens duidelijk gemaakt moeten worden dat er meerdere personages spreken. Alsof de verteller ineens toeschouwer wordt en de monoloog theater.

Het doek valt. Ithaka verdwijnt. Er volgt een luid applaus. Buiten loopt de grijsheid en de drukte tegen me aan. Nog tot laat in de avond hoor ik Homeros’ stem in mijn hoofd.

In de Odysseus krant lees ik dat de aanleiding voor deze theatervoorstelling de nieuwe vertaling is van de Odyssee door classicus en dichter Patrick Lateur, die eerder ook een nieuwe vertaling maakte van de Ilias. Ik ben altijd erg blij als ik hoor dat dit oude verhaal nog in een moderne versie verschijnt of dat er een theatervoorstelling wordt gemaakt van een antiek stuk. Pas als niemand er meer over spreekt, zijn deze oude verhalen echt dood. Maar tegelijk ervaar ik telkens een soort vrees: wie gaat dit boek nog lezen? Wie gaat naar dit theater komen kijken? Ongegrond. Ik heb me moeten haasten om nog aan tickets te geraken want die waren in een mum van tijd uitverkocht. En zelfs wanneer ik in de schouwburg zit, dan nog denk ik, wat als we hier straks haast als enige zitten en de stoelen leeg blijven? Maar nee, de zaal stroomt vol en ik zie zowel ouderen als jongeren. Je zou je dus kunnen afvragen waarom. Wat heeft deze oude tekst ons nog te vertellen? Wat spreekt jongeren er in aan? Wij die met z’n allen voortdurend met de blik gericht zijn op smartphones die een constante golf produceren van wisselende beelden en zo kort mogelijke woorden, hoe zijn er dan nog mensen die het geduld kunnen opbrengen om naar zo’n lang verhaal te luisteren? Is dit geen pure tijdsverspilling in een wereld waar alles zo snel mogelijk moet? Voor mij, en gelukkig ook voor anderen, is het een verademing. Het is een ode aan de taal, het is een ode aan dat wat mensen verbindt. Deze tekst gaat over het leven en daar kan iedereen zich in herkennen. In deze wereld gebaseerd op consumptie, telt hoofdzakelijk het einddoel. We kopen telkens Ithaka’s in de hoop dat we er rijker van worden. Altijd opnieuw worden we ontgoocheld. Homeros herinnert ons aan iets, wat we uit het oog verloren. Niet het reisdoel op zich is belangrijk, maar de weg ernaartoe. De zoektocht, de belevenissen, de ervaringen, de mensen die je onderweg ontmoet. Zij maken het verhaal, zij geven waarde aan Ithaka. Wat van de Odyssee een meesterwerk maakt is naast de ode aan de taal, de aandacht die gericht is op het uitgestelde verlangen. Er zit heel wat wijsheid in vervat die ook vandaag nog actueel is. En net daarom is het de moeite waard om het te lezen.

‘Filoxenia’ is een begrip dat reeds aan bod komt bij Homeros. Ook in het huidige Griekenland is ‘gastvrijheid’ nog steeds erg belangrijk. Wanneer je ergens verblijft bij een lokale eigenaar, krijg je vaak bij aankomst een zelfgemaakt gebakje, of ‘gluko tou koutaliou’, een soort gelei gemaakt van vijgen of andere vruchten die gepresenteerd wordt op een lepeltje, een glas water en koffie aangeboden. Of je wordt spontaan mee uitgenodigd voor een etentje of feest. Er wordt altijd meer eten gekookt dan nodig en aan tafel is er altijd nog plaats voor iemand extra. We moeten eerlijk bekennen dat wij in ons land vaak gereserveerder zijn.

Maar hoedanook anders is het wanneer je een reiziger bent of een vluchteling. Dit wordt duidelijk in de selectie van foto’s uit ‘Mediterranean. The continuity of man.’ die meereist met de theatervoorstellingen. Met dit werk wou de fotograaf Nick Hannes een beeld schetsen van de Mediterrane regio in verandering zoals de crisis in Griekenland en de bootvluchtelingen waarbij thema’s als migratie, urbanisatie en massatoerisme centraal staan. Het is niet moeilijk om de link te leggen met Odysseus, die dezelfde zeeën bevoer, zelf veroordeeld werd tot een zwerversbestaan en ook moet rekenen op de ‘filoxenia’ van de inwoners. Zijn tocht is er ook één vol ontberingen en tegenslagen. Bij de foto’s werden citaten uit de Odyssee toegevoegd. Het is soms verbazingwekkend hoe groot de gelijkenissen zijn.

“Maar aangezien u onze stad, ons land bereikt hebt,

zal het u aan kleding niet ontbreken,

evenmin aan al wat toekomt aan iemand die veel tegenslagen kent,

een smekeling die in ons midden komt.”

(Odyssee, zang 6)

Louvre-Lens – een reis in de Griekse Oudheid

20161229_101652Geen betere remedie voor een koude, mistige winterdag dan een bezoek aan een museum. En wat voor één! Het Louvre-Lens is echt een pareltje! We kozen voor een bezoek aan La Galerie du temps.

Reeds bij het binnenkomen, maakt het gebouw dat bestaat uit glas en ronde vormen een welkome, open indruk. Dit is een museum dat leeft, waar je dingen kan doen en waar zelfs kinderen zich kunnen uitleven. Er is een kenniscentrum waarin je een grote bibliotheek vindt met allerlei naslagwerken, een lees- en speelhoekje met kleurrijke kussens en lage tafels met stoeltjes waar de allerkleinsten via educatieve spelletjes en boeken op ontdekking kunnen gaan in het verleden en er zijn ook verschillende expositieruimtes. Dat alles geeft uit op een grote tuin die er nu wel wat triestig bij ligt. Wat mij nog het meest verbaast, is het feit dat de toegang tot La Galerie du temps gratis is!

Ik hou van musea die je bij het binnenkomen van je sokken blazen. De eerste aanblik wanneer je de galerij binnenkomt, zorgt exact voor dit effect. De ruimte is open, je kijkt van voor naar achter, alle kunstwerken staan niet, zoals meestal gebruikelijk is volgens tijdsvak opgesteld, maar chronologisch. Je kijkt dus van het ontstaan van de eerste beschavingen zo’n 3000 jaar v.C tot aan de Moderne Tijd. Er zijn onder meer vondsten uit Mesopotamië, Perzië, India, Egypte, Griekenland, Italië, Frankrijk, Turkije, Noord-Afrika en Spanje. De zijwanden bestaan uit glanzende aluminium platen, op de rechter wand is een tijdlijn aangeduid, zo weet je precies wanneer je een rij kunstwerken bekijkt, waar in de tijd je je ongeveer bevindt. En vooral er is ruimte, de kunstwerken staan vrij opgesteld, je kan er rond wandelen, je kan dichtbij komen, je hebt een mooi overzicht. Zelfs met veel mensen in de ruimte, heb je niet het gevoel op elkaar gepakt te zitten of je te moeten verdringen om iets te bekijken. De audiogids is uitgerust met een wifi-signaal en geeft bijzonder scherp alle artefacten in 3D weer. Je hoeft maar te swipen en je kan de uitleg beluisteren. Mijn oog glijdt onmiddellijk naar de linkerzijde, naar de vondsten uit de periode die mij het meeste boeit. Maar aangezien ik mijn tijdlijn niet overhoop wil halen, loop ik in ‘boustrofedon’ van links naar rechts en van rechts naar links.  Het duurt niet lang of ik ben naar de Griekse Oudheid gereisd.

Het allereerste beeldje links voert mij al meteen naar de Cycladische beschaving uit de prehistorische periode. Ik lees dat het om een naakte, vrouwelijke afgod gaat die gevonden werd op het eiland Syros in Griekenland. Men noemt dit soort beelden Cycladenidolen, naar het Griekse woord ‘eidolon’ wat afbeelding betekent. Deze afgodsbeeldjes die meestal gemaakt zijn uit marmer en vaak vrouwelijke trekken vertonen, verwijzen hoogstwaarschijnlijk naar de Moedergodin. Ik vind ze prachtig de Cycladenbeeldjes. In al hun eenvoud stralen ze iets heel krachtig uit.

Verdergaand in de tijd, is het de grote dypilonvaas die in het oog springt. Deze grafvaas met zijn kenmerkende geometrische patronen, beeldt de ‘prothesis’ uit, de opbaring van de dode. Dit soort kraters hadden vaak ook geen bodem zodat het plengoffer gemakkelijk in het graf kon doordringen. Ze kregen de naam Dypilon omdat er verschillende werden teruggevonden bij de Dipylonpoort in Athene. Deze dubbele poort was de voornaamste poort in de ommuurde stad. Van de agora naar de Dipylonpoort liep er een brede weg, die ook Panathenaeïsche weg werd genoemd. Ten zuidwesten van de poort lag namelijk het Pompeion, van het Grieks ‘πομπή’, ‘pompi’ wat processie betekent. Vandaar vertrok dus de processie van de Panathenaeën naar de Akropolis.

Even naar rechts, kom ik een knappe jongeman tegen. Deze marmeren ‘kouros’ werd gevonden in het heiligdom van Asklepeios, op het eiland Paros. Deze rigide, gestileerde beelden vertoonden een Egyptische invloed en symboliseerden het mannelijk ideaal. Met zijn gevlochten, lang haar vertoont de kouros die we hier zien ook een Kretenzische invloed. Kouroi werden geplaatst in tempels of op begraafplaatsen om zo te herinneren aan het atletische ideaal.

Vlak naast hem staat nog een voorbeeld van een mannelijk ideaal: de ‘diskophoros’, ‘hij die de discus draagt’. In tegenstelling tot de ‘diskobolos’, ‘hij die de discus werpt’, staat deze atleet afgebeeld in de houding waarop hij de discus gaat werpen. Hij staat stil, in volle concentratie, de tenen gekruld om de rand van het blok waar hij op staat, klaar om een draaibeweging te maken en te werpen. Het beeld is een Romeinse kopie naar het origineel van Naucydes. Als je heel dichtbij een Grieks beeld gaat staan, dan zie je duizenden sterretjes fonkelen in het marmer. De steen is zo glad, de vormen zo gesculpteerd dat het haast echt lijkt. Ik herinner me dat mijn moeder in mijn kamer waar ik vroeger sliep als klein meisje, een stenen plakketje aan de muur had gehangen met de afbeelding van een diskobolos. Mijn ouders hadden het meegebracht als souvenir van een reis naar Griekenland. Ik herinner me ook nog dat ik toen heb gevraagd wat het voorstelde. Heel vroeg al bleek ik nieuwsgierig naar de Griekse cultuur.

20161229_11383320161229_114110

Even verderop komen we terecht in de Klassieke Oudheid. We zien er een stèle in Pentelisch marmer die gevonden werd op de Akropolis. Bovenaan de stèle staat de godin Athene afgebeeld met de ‘Demos’, of het ‘Volk’. Onderaan in de steen staat in het Grieks de boekhouding van het Parthenon gebeiteld.

Als laatste neem ik jullie mee bij het beeld van Hermaphrodite, een Romeinse kopie vervaardigd uit Carrara marmer naar het origineel van Polycles die werkzaam was in Alexandrië. Het beeld is een en al sensualiteit en zit vol contrasten. Het beeld ligt, maar de voeten zijn gestrekt in een speelse houding. Sommige zien er de personificatie van de dag en de nacht in. Maar wie even rondom het beeld heen loopt, ziet iets merkwaardigs: het beeld heeft een borst èn een mannelijk geslacht. Ovidius beschrijft ons in zijn boek ‘Metamorphosen’ de mythologie achter dit mooie beeld. Hermaphrodite was de zoon van de god Hermes en de godin Aphrodite. Deze jonge man was van een oogverblindende schoonheid en toen hij op een dag op pad ging om te jagen, nam hij een duik in het koele water van het Karia meer (gesitueerd in het huidige Bodrum). Daar ontmoette hij de naïade Salmacis, een waternimf die ogenblikkelijk verliefd op hem werd. Zij zwom hem achterna en klemde haar lichaam om hem heen. Hermaphrodite poogde haar op een afstand te houden, maar zij smeekte de goden om hen te verenigen. Haar smeekbede werd verhoord en Hermaphrodite kreeg naast zijn mannelijke geslacht, ook vrouwelijke borsten. Zo werd hij een tweeslachtig wezen. Hermaphrodite vroeg zijn goddelijke ouders om dit ongedaan te maken, maar dit kon niet meer. Eén wens ging wel in vervulling: hij wenste dat eenieder wie in het meer baadde, hetzelfde lot zou ondergaan.

Ook in de biologie gebruikt men nog steeds de term hermafrodiet voor een tweeslachtig wezen, dit zowel voor mensen, dieren en planten. Tweeslachtige dieren kunnen zich voortplanten door parthenogenese, wat maagdelijke voortplanting betekent. Tijdens onze workshop beekeeping bij Mozes in de Zagori, leerden we zo ook dat bijen een bijzondere vorm van parthenogenese kennen.

Ik blijf geruime tijd staan en bewonder het beeld. Wie dit ook wil doen, moet absoluut eens naar het Louvre-Lens. Of gewoon naar Griekenland, want daar staan de musea vol met prachtige kunst!