De Sporaden – Skopelos

Ik moest eerst kotsen en toen werd ik een beetje verliefd. Een vreemde ontmoeting zou je kunnen zeggen, maar zo gaat dat met bepaalde Griekse eilanden. Het waren niet de vlinders, maar de draagvleugelboot die me misselijk maakte. Nooit eerder nam ik zo’n vaartuig, maar het gaat snel en ik dacht: je vliegt over het water, hoeveel golven kan je voelen? Binnenin is het een beetje zoals in een vliegtuig. Rijen zitplaatsen in het midden en langs de zijkant met vaste plaatsen naast elkaar. We zaten in het midden, naar het toilet spurten in geval van nood zou dus niet makkelijk worden. Mijn idee dat je geen golven kan voelen, was compleet fout. In het begin viel dat wel mee, maar eens in open zee beukte de boot op en neer. We zijn er bijna, sprak ik mezelf moed in, waarschijnlijk nog een kwartiertje of zo. Maar sommige kwartiertjes duren immens lang.

Halsstarrig probeer ik me te concentreren op het beeldscherm vooraan in de boot, waar steeds hetzelfde filmpje herhaald wordt over de afmetingen van de boot en wat te doen in noodsituaties. De airco blaast hard, maar ik begin te zweten. Ik zoek naar een vertezicht, maar helaas de gordijntjes zijn voor de ramen geschoven. Ik wil schreeuwen dat ik in een noodsituatie ben en geen kotszakjes vind, maar het is te laat. Dus grabbel ik snel in mijn strandzak naar een handdoek en daar is de eerste gulp al. Genant. Ik wil me verstoppen onder de zetel. Gelukkig schiet mijn reisgenoot mij snel te hulp, hij heeft kotszakjes gevonden aan de zijkant van de boot. Sorry buurman, denk ik, en ik hoop dat hij door de zurige geur en kotsgeluiden nu zelf niet misselijk wordt. Ik durf hem niet aan te kijken en draai me zoveel mogelijk van hem weg. Het kwartiertje is ineens voorbij, we zijn er. Eens van de boot, voel ik mij een stuk beter. ‘Je was heus niet de enige die zeeziek was,’ stelt hij me gerust. Zullen we eerst even iets drinken of gaan we de auto halen?’ Ik wil mijn maag nog even sparen en stel voor om meteen de auto op te pikken.

Het is wanneer we beginnen rijden dat het gebeurt, ik word een beetje verliefd. In vergelijking met het mondaine Skiathos, lijk je hier terug te gaan in de tijd. Een grote weg, waar nauwelijks een auto rijdt. Witte huisjes, vijgenbomen, oleanders, een ezel. Ik ben nog niet uitgestapt en heb nog met niemand gepraat en toch ben ik meteen gecharmeerd door de rust en de eenvoud van dit landschap. Er zit iets herkenbaars in, iets van thuiskomen. Toen hadden we nog niet eens onze gastheer en –vrouw ontmoet. Als er namelijk iets is waar Grieken goed in zijn, dan is het in je verwelkomen. Of sterker nog, je echt thuis laten voelen.

We parkeren de auto in de schaduw van een olijfboom. Zijn neerhangende takken zwiepen tegen de voorruit. De gastheer komt meteen naar ons toe en neemt ons mee naar het gebouwtje verderop met een buitenkeuken. ‘Alsjeblief, neem plaats, ik haal jullie iets te drinken en te eten. Willen jullie koffie?’ Grieken en koffie, het is een onafscheidelijk duo. Ik voel mijn maag nog en bedank vriendelijk. ‘Kan ik een glaasje water krijgen?’ Hij vertrekt naar het tegenoverliggende gebouw, terwijl we plaatsnemen aan tafel. Ineens voel ik iets zacht tegen mijn benen wrijven, onder tafel ontdek ik een pluizig jong katje. Ze heeft mooie grijze en zwarte tijgerstrepen, witte pootjes en een onschuldig wit snoetje. Met een geluid dat tussen piepen en miauwen zit, probeert ze de aandacht te vangen. Ik neem haar op mijn schoot en aai haar. Ze vleit zich zoals alleen katten dat kunnen. Tot ze er genoeg van heeft en zich eigenwijs op een rieten stoel gaat nestelen.

Hij brengt ons glazen water en enkele plakjes huisgemaakte cake. Vraagt hoe onze reis is geweest, vanwaar we komen, stelt zichzelf voor. Nadat we rustig hebben kennisgemaakt, neemt hij ons mee naar onze kamer. ‘Als jullie willen, kan ik jullie een grotere kamer geven, die is toch vrij, zonder extra kosten.’ Ik vind deze groot genoeg en zeg dat het oké is. Ons balkon heeft zicht op de tuin waarin rozen geplant staan en verder is er alleen de zee. Ik voel mij ineens moe en we besluiten even te gaan liggen. Na een korte deugddoende slaap, gooi ik de houten luiken terug open. ‘Gaan we naar het strand?’

Mijn nieuwsgierigheid is te groot geworden. Het is late namiddag, maar we hebben nog genoeg tijd voor de zon ondergaat. In mijn oude reisgids die ik kreeg toen ik 13 was en we voor het eerst naar Griekenland gingen, lees ik dat de baai van Staphylos vernoemd is naar de zoon van Theseus en Ariadne, of naar Ariadne en Dionysos volgens een andere mythe. Hij zou de eerste bewoner van het eiland geweest zijn. Bij de opgravingen van zijn graf werden goudstukken en strijdbijlen gevonden die nu tentoongesteld zijn in het Archeologisch Museum van Volos waar we eerder waren.

Strandzak pakken, bikini aan en teenslippers. Wat is er zaliger dan op slippers naar buiten stappen? De zachte namiddagzon op je huid voelen. De warme wind. De geur van pijnbomen. Het gezang van de cicaden en voor de rest niets dan stilte. Wanneer ik het baaitje voor mij zie opdoemen, ben ik verkocht. Het witte keienstrand wordt ingesloten door een grote rots in zee die begroeid is met pijnbomen. Het water is helder en rustig. De vorm van de baai doet mij onmiddellijk denken aan de baai in Agia Pelagia, een dorp aan de noordkust van Kreta, waar we zovele zomers doorbrachten. Ik spreid mijn handdoek uit op de kiezels en ga zitten. Er zijn ook ligzetels aan de andere kant, maar ik zit liever afgezonderd. De pijnbomen groeien hier bijna tot aan het water, hun geur vermengt zich met die van de zee. Ik luister naar het zachte geklots van de golven en hoor ook de cicaden zingen tot hier. Het brengt me tot rust. Alsof mijn gedachten beginnen meedeinen op het ritme van de zee en zo zichzelf in slaap wiegen. Het zicht is oneindig, mijn blik loopt nergens vast en kan reizen zover hij wil. Dit is vrijheid en schoonheid. We nemen een duik in het lauwwarme water en gaan dan drogen in de zon. We praten. We zwijgen. Pas als de zon achter de baai verdwijnt, keren we terug naar de kamer.

Nadat we het zout op onze huid hebben weggespoeld onder de douche, nemen we de auto naar Skopelos stad. We kiezen één van de vele tavernes uit aan de haven en eten vers gevangen vis. In het donker rijden we terug naar ons verblijf. Ik ga nog even op het balkon zitten om te kijken naar de sterren. De cicaden lijken te slapen, er is enkel de stilte nu, slechts af en toe doorbroken door het geroep van een dier dat ik niet kan thuisbrengen. Ik vermoed een soort vogel of misschien een kat. Hoewel ik weet dat ze er is, zie ik de zee niet meer die is opgegaan in het duister. Mijn ogen worden moe. Ik sta op, ga naar binnen en sluit de luiken achter mij. ‘Morgen zie ik de zee weer en schijnt de zon.’ denk ik. Er zijn zoveel redenen waarom ik hou van dit land.

Ik heb iets met Griekse Nounou melk. Het is één van de eerste dingen die ik haal in de supermarkt. Wanneer ik dan wakker word en verlang naar koffie, maar niet hou van oploskoffie, open ik het brik frisse, zoete Nounou melk dat in de frigo op me wacht. Ik gooi de luiken open en installeer me op het balkon. Laat mijn ogen wennen aan het felle zonlicht. Hoe beter dat gaat, hoe meer zee ik met mijn blik kan vasthouden. Wanneer we beiden klaar zijn, wandelen we over het grasperk naar de buitenkeuken. Ontbijt onder een fuchsia bougainville. Er liggen enkele felroze blaadjes op het ronde, gietijzeren tafeltje gedwarreld. En we worden verwend. Er is geen menukaart, er is alweer Griekse gastvrijheid. Onze gastheer brengt ons het ene bordje na het andere dat Mando, zijn moeder, vers in de keuken voor ons bereidt. Huisgemaakte cake, een groot stuk met sinaasappel en honing en nog één met chocolade, verse eieren, yoghurt, fruit… we zitten eigenlijk al vol, maar dan is er nog ‘stroggilo’, een typisch Grieks hartig gebak. Het is een ronde sliert gefrituurd deeg gevuld met spinazie en kaas. ‘Alles komt hier uit onze eigen moestuin die mijn mama bewerkt,’ zegt hij ons fier. ‘De eitjes komen van onze kippen en we hebben ook geiten voor onze kaas. Willen jullie nog iets eten? Het is geen probleem, we maken het zo klaar!’ We bedanken vriendelijk en zeggen dat we nu echt wel vol zitten, maar dat het heerlijk was! Wanneer we op de laatste dag vragen wat onze schuld is, vraagt hij niets extra voor al die gerechten. ‘Jullie zijn onze eerste klanten dit jaar, maakt niet uit, we hadden toch genoeg.’

We zijn helemaal klaar om Skopelos stad te verkennen. We parkeren de auto bij de haven en gaan te voet verder. Niets is leuker dan zonder plan door de nauwe steegjes lopen en telkens verrast worden door weer een andere, prachtige gevel, een kerk, een binnenkoertje vol potten met bloemen en kruiden, een hek waardoor de zee in de verte ineens opdoemt of een leuk winkeltje of barretje. Zo komen we langs ‘Spira’ een bar waar zelfgebrouwen bier wordt verkocht. We besluiten meteen om er deze avond heen te gaan. We beklimmen de witgekalkte trappen van de Panagitsa kerk die majestueus uittorent boven de haven en genieten vanop een muurtje van het uitzicht. Ik kijk naar de dobberende vissersbootjes beneden aan de kade en naar de mensen die er langs wandelen. Ik luister naar Grieken die vanop afstand naar elkaar roepen, een man op een brommer naar een visser op z’n boot, een ober naar een andere ober. ‘Geia sou Giorgo!’ ‘Ela Yianni!’, van ver roepen ze om elkaar te begroeten. Geen schuchter handgewuif of aarzelende knik zoals dat bij ons gaat. In Griekenland gebeurt alles met ‘pathos’, of het nu gaat om eten of praten of watdanook. Het is nog iets waar ik zo van hou. Die overgave.

Het gaat tegen de middag, de zon weerkaatst fel op de witte stenen en het is ondertussen behoorlijk warm. Terug bij de haven beneden ontdekken we een geweldig leuk barretje dat ‘Juices and books’ heet. In de schaduw van een plataan genieten we van vers vruchtensap. Voor we vertrekken, ga ik binnen natuurlijk nog even snuisteren tussen de boekenplanken. Deze middag gaan we voor Griekse pita die we opeten op een bankje bij de plataan ertegenover. Ik heb zin om terug naar het strand te gaan bij Staphylos. Ik weet zeker dat er nog andere mooie stranden te ontdekken zijn, maar dit heeft mijn hart gestolen.

’s Avonds rijden we terug naar Skopelos stad. Er pakken dikke, grijze wolken samen boven de haven. Ik verwacht een heuse plensbui, maar het onweer blijft uit. Griekse jongeren flaneren in groepjes langs de boulevard, toeristen proberen te kiezen tussen de vele restaurantjes, terwijl booteigenaren hen aanklampen om tickets voor hun dagcruises te verkopen. ’s Avonds komt de stad het meest tot leven. We eten verse vis in één van de vistavernes aan het eind van de kade. En zoals gezegd gaan we daarna langs bij de Skopelos brewers. Het caféterras neemt half het steegje in, er liggen kussens op lage muurtjes en er zijn kleine tafels met een paar stoelen. Niet slecht, dit zelfgebrouwen biertje. Al is het natuurlijk geen Belgisch bier. We krijgen zoute popcorn als borrelhapje en genieten van deze laatste avond op Skopelos.

De volgende ochtend nemen we afscheid van onze gastheer. Het is met tegenzin dat ik vertrek. Ik wil nog langer op dit eiland blijven. Ik kijk nog één keer naar het baaitje met de uitstekende rots. Daarna laden we onze koffers in de auto en vertrekken. Deze keer  geen draagvleugelboot, maar een grote ferry. De witte huizen met rode daken die trapsgewijs op de groene hellingen staan gebouwd, verdwijnen langzaam uit het zicht. Hoe groter de afstand wordt, hoe meer mijn nieuwsgierigheid groeit naar devolgende bestemming.

Louvre-Lens – Homeros

We worden begroet door de goden van de Olympus wanneer we de expositieruimte in het Louvre-Lens binnenstappen. Apollo, Athene, Hera en Aphrodite verwelkomen ons in de wereld van Homeros. Ook de muze Polyhymnia, die bij de dichters zorgde voor inspiratie, is van de partij.

De vraag die bij aanvang wordt gesteld, is wat het belang nog is van de Ilias en de Odyssee. Wat voor invloed hebben deze eeuwenoude verhalen tegenwoordig nog en hoe komt het dat we nog steeds de namen kennen van helden als Achilles, Patrokles of Penelope? Het belang is nauwelijks te onderschatten, zelfs tot op vandaag worden kunstenaars geïnspireerd door deze teksten zowel in de schilderkunst, muziek, film of het theater. Zelfs in onze taal zijn er uitdrukkingen overgebleven, denk maar aan de ‘achillespees’ of ‘zwakke plek’. Niet alleen brengen deze verhalen een oude wereld terug tot leven, Homeros is ook een meester in het schetsen van diepmenselijke emoties die nog steeds herkenbaar zijn. Het is de universaliteit van dit werk die maakt dat het actueel en belangrijk blijft. Kunst kan ons in contact brengen met die andere werelden en kan op die manier onze ogen openen waardoor de kans verkleint dat we met z’n allen vervallen in navelstaarderij.

Maar wie was die Homeros nu eigenlijk? Heeft hij wel echt bestaan? Een vraag die tot op heden onbeantwoord blijft. Onderzoekers gaan er vanuit dat hij degene was die begonnen is met de verhalen op te schrijven rond de 8e eeuw v.C., toen ook het Griekse schrift ontstond. In ieder geval zijn ze ontstaan uit een veel oudere, orale traditie. In de oudheid waren het de ‘aoidoi’, de ‘barden’ die de verhalen uit het hoofd reciteerden onder begeleiding van de lier. Om te bewijzen dat het mogelijk was dat één iemand zo’n 15.000 verzen uit het hoofd kende, werd er onderzoek gedaan naar barden in de Balkan die deze traditie nog levend houden. Vaak wordt Homeros voorgesteld als een oude, blinde man, maar zeker weten we dit niet. Sommige geleerden interpreteerden de betekenis van zijn naam “ὁ μὴ ὁρῶν”, als ‘de niet ziende’. De expositie toont enkele gebeeldhouwde hoofden en schetsen van hem. Later zorgden filologen ervoor dat de teksten opnieuw geschreven en vertaald werden en in de 18e en 19e eeuw werden er aan de universiteiten wedstrijden georganiseerd in de voordracht van de verzen. Dit alles heeft ertoe bijgedragen dat hij tot vandaag bekend bleef.

Menelaos draagt het lichaam van Patrokles (Pasquino groep)

Wanneer we verder wandelen doorheen de tentoonstelling worden we eerst ondergedompeld in enkele scènes van de Ilias. Het eerste vers van dit epos klinkt als volgt: ‘Bezing, godin, de woede van Achilles, zoon van Peleus’. Hoewel het hele verhaal draait rond de oorlog van de Grieken tegen de Trojanen, toont dit vers ook aan dat de menselijke emoties zoals woede, verdriet, jaloezie en wraak bij Homeros een centrale rol spelen. Ik herinner mij nog goed hoe ik een brok in de keel kreeg bij het vertalen van de passage tijdens de les Oudgrieks waarin Andromache met hun zoontje Astyanax afscheid neemt van haar man Hektor, die het gevecht zal aangaan met Achilles. Ook al wordt het nog niet gezegd, je voorvoelt gewoon dat Hektor zal sterven in dit mythische gevecht en Andromache noch hun zoontje hem zal terugzien. Machteloos blijft zij achter op de muren van Troje. Ik herinner mij het medelijden dat ik voelde met Achilles wanneer hij verneemt dat zijn hartsvriend Patrokles werd gedood in de strijd, maar ook de walging die ik ervoer wanneer Achilles halsstarrig weigerde het dode lichaam van Hector terug te geven aan de Trojanen zodanig dat ze hem zoals het gebruik voorschreef een passende begrafenis konden geven. En hoe hij tot grote schande en immens verdriet van zijn oude vader, koning Priamos zijn lijk aan een strijdwagen bindt en hem aan de voeten door het zand sleept. Priamos schuift al zijn eergevoel en waardigheid aan de kant wanneer hij voor Achilles knielt en smeekt om het lichaam van zijn zoon terug te krijgen. Een prachtig schilderij dat deze scène illustreert is dat van Alexander Iwanow. Ook in de film Troje, met Brad Pitt in de hoofdrol, wordt dit mooi gespeeld.

Naast de menselijke emoties, beschrijft Homeros ook gedetailleerd de wapens en het materiaal van de helden. Van wapenschilden tot helmen, we kunnen ons precies voorstellen hoe het er moet uitgezien hebben. Ook de ‘epitheta ornans’ die worden gebruikt, helpen ons op weg, zoals de helmboswuivende Hector, de snelvoetige Achilles, de listige Odysseus of de wijnrode zee. Het zijn net die details die archeologen zoals Schliemann ertoe aangezet hebben om het bestaan van deze Homerische wereld aan te tonen met identieke vondsten.

Laocoöngroep
Helena en Paris (Antoine-Jean Gros)

Tussen de twee epossen door, krijgen we een moderne stamboom te zien van de hoofdpersonages die erin voorkomen. Het helpt om de draad in het complexe verhaal niet kwijt te raken.

Er wordt ook kort aandacht besteed aan de gedichten uit de cycli, waarnaar sporadisch wel verwezen wordt in de Ilias en de Odyssee, maar die eigenlijk op zich bestonden. Zo gaat het gedicht ‘De kleine Ilias’ onder meer over het houten paard van Troje. Een verwijzing hiernaar is het standbeeld van de Laocoöngroep dat in Rome werd gevonden. Het beeldt de Trojaanse priester Laocoön uit die samen met zijn zonen wordt verslonden door slangen. Hij is het die de list van de Grieken doorziet en de Trojanen waarschuwt voor het paard van Troje. Om hem te straffen gaf de godin Athena, Poseidon de opdracht slangen uit zee op hem af te sturen. Dit verhaal wordt slechts kort aangehaald in de Odyssee, het is de Romeinse schrijver Vergilius die hierover uitgebreider schrijft in de Aeneas.

Er hangt ook een mooi schilderij ‘Hélène et Pâris’ getiteld van Antoine-Jean Gros dat het gedicht ‘Cyprische gezangen’ illustreert waarin het Parisoordeel beschreven wordt.

Odysseus wordt herkend door zijn hond Argos (Pierre-Amédée Durand)

Verderop neemt de expositie ons mee in het verhaal van de Odyssee. Geen heldendicht over oorlog deze keer, maar het verhaal van de listige Odysseus, koning van Ithaka en bedenker van het houten paard van Troje die na de Trojaanse oorlog nog tien jaar gedwongen rondzwerft over de Middellandse Zee samen met zijn manschappen. De wereld van de Odyssee is er één vol mythische figuren en bizarre monsters zoals Scylla, het zeskoppige monster, de eenogige Cyclopen en de Sirenen die door hun gezang de voorbijvarende boten op de kliffen te pletter lieten slaan. Maar er zijn nog meer uitdagingen op deze woelige tocht in de vorm van enkele vrouwelijke figuren. Zo is er de tovenares Kirke en de godin Calypso die hem elk bewustzijn van tijd ontneemt waardoor hij denkt zeven dagen gevangen te zitten op het eiland Ogygia in plaats van zeven jaar. En dan is er ook nog eens de bevallige Nausikaä, dochter van koning Alkinoös, die hem ontmoet op het strand en uiteindelijk met hem wil trouwen. Ik herinner mij ook goed hoe ontroerend ik de passage vond die we eveneens vertaalden in de les Oudgrieks waarin Odysseus eindelijk aankomt op Ithaka en hij als eerste na twintig jaar herkend wordt door zijn trouwe hond Argos die vervolgens sterft nadat hij zijn meester terug heeft gezien. Zijn oude voedster Eurykleia herkent hem vervolgens aan zijn voeten wanneer ze die na zovele jaren terug wast. Alweer geeft Homeros blijk van zijn inzicht in de menselijke psychè en weet hij als geen ander de menselijke emoties weer te geven.

Ook de Odyssee inspireerde heel wat kunstenaars en kan zelfs gezien worden als een symbool van het leven zelf. Een erg mooi voorbeeld hiervan is het gedicht ‘Ithaki’ van de Griekse schrijver Konstantinos Kavafis.

Beide epossen hebben niet enkel geïnspireerd, maar deden zelfs een ware ‘homeromanie’ ontstaan waarbij men ging dwepen met alles wat met Homeros te maken had. Schliemann las als bezeten de Ilias wat hem er uiteindelijk toe aanzette om bewijsstukken te gaan zoeken voor het bestaan van de Homerische wereld. Als archeoloog ontdekte hij de stad Troje en Mycene.

Ook schrijvers, zoals Victor Hugo, zagen in Homeros hun leermeerster en lieten zich voor hun eigen oeuvre inspireren door hem. De tentoonstelling toont verder ook foto’s van de fotograaf Frédéric Boissonnas die samen met Victor Berard in Odysseus’ kielzog over de Middellandse Zee reisde.

De tentoonstelling eindigt met een meer ludieke vraag: kan er ook met Homeros gelachen worden? Het antwoord is een brede glimlach bij het zien van enkele ironische prenten. En wil je echt iets grappigs zien, kijk dan eens naar dit filmpje van ’50 Nuances de Grecs’: https://www.youtube.com/watch?v=xsms6UuB2-o

We verlaten Homeros, maar mijn hoofd zit vol beelden. Het geluid van ruisende golven weerklinkt alsof ik net ook een hele reis heb gemaakt. De tentoonstelling eindigt met een filosofische zin boven de uitgang: ‘Toutes ces choses n’existent pas, mais elles durent encore.’

Het Louvre-Lens brengt opnieuw een geslaagde expositie die een bezoek meer dan waard is!

De Sporaden – Skiathos

Het is ochtend in de haven van Volos. De zon schijnt. Vandaag nemen we de boot naar het eiland Skiathos dat ten noorden van Athene in de Egeïsche Zee ligt. De ijzeren laadklep klapt open en schuift over de kade, waarna de bemanning van het schip de koorden losmaakt om voetgangers en auto’s binnen te laten. We laten onze bagage achter in het ruim en gaan zitten op een van de witte banken op het dek. Even later klinkt een vrouwenstem door de luidsprekers. Ze geeft ons enkele veiligheidswaarschuwingen, eerst in het Grieks dan in het Engels.

De boot glijdt zacht de haven uit. De reis begint. Niets mooier dan varen in Griekenland, de zon en de wind voelen, het landschap uit het zicht zien verdwijnen, de zee ruiken, de geur van de boot, Grieken die eindelijk ook eens niet praten, die gebogen over de reling of zittend op een bank met het rietje in hun mond slurpen van hun frappé en net als ik staren naar de horizon. De wind neemt mijn gedachten mee en mijn hoofd wordt leeg. Het zachte deinen maakt mijn lichaam rustig en het duurt niet lang of ik val in slaap. Wanneer ik mijn ogen open, zie ik dat we een klein groen eiland naderen. Ik zie witte huizen met rode daken en vissersboten die aangemeerd liggen bij de kade. Elk eiland is anders. Heeft zijn eigen karakteristieken. En daarom ben ik telkens weer benieuwd. Alsof het om een nieuwe ontmoeting gaat, een nieuw avontuur. De Griekse stem die opnieuw door de luidsprekers klinkt bedankt ons om gekozen te hebben voor Hellenic Seaways en wenst ons een goed verblijf. We gaan de trappen naar beneden om onze bagage te halen in de laadruimte. Dan gaat de buik van de boot weer open en zetten we voet aan wal op Skiathos.

De sfeer van een eiland is altijd helemaal anders dan die van een stad. Alsof de wereld nog net iets trager gaat, de zon nog net iets warmer schijnt en de dagelijkse beslommeringen nog net iets verder weg lijken. Alsof ze tegenwind vangen en het daardoor moeilijk voor hen is mee de zee over te steken. We gaan zitten op één van de terassen aan de haven en bestellen een freddo en ontbijt. Ik zak weg in de witte kussens en geniet. Een hele dag zou ik hier kunnen doorbrengen. Niets doen en turen naar de zee. Naar de Grieken die voorbijzoemen op hun scooters met aan beide handvaten of tussen hun voeten witte plastic zakken met boodschappen. Naar de toeristen die flaneren langs de kade. Naar de obers die opdienen en afruimen. Naar Griekse katten die genesteld op een stoelkussen nog het meest van al de kunst van ataraxie lijken te beheersen, tenzij er ergens vis wordt geserveerd. Mijn reisgenoot haalt me uit mijn mijmering. ‘Zullen we de huurauto reserveren?’ Ik knik. Het kantoor ligt achter het caféterras dus blijf ik bij de bagage zitten, terwijl hij de papieren gaat invullen. Even later zitten we in de auto op weg naar ons verblijf.

We volgen de hoofdweg langs de zee. Er zijn niet zoveel wegen dus echt verloren rijden, kan je hier niet maar voor we het weten zijn we toch voorbij gereden. Toegegeven, ik ben geen uitmuntende kaartlezer, maar zonder duidelijk bord langs de weg valt het ook niet echt op. Ineens herken ik een strand op de kaart waar we devolgende dag heen willen, maar dat een stuk verder ligt dan het verblijf. We maken rechtsomkeer en na tien minuten rijden, vinden we Paris House toch. We worden vriendelijk onthaald en begeleid naar onze studio. Er is een mooie tuin en vooraan is er een taverne.

Tegen de avond keren we terug naar de haven. Het stadje is erg gezellig. We wandelen langs taverna’s, barretjes en winkels met souvenirs. Het is heel wat drukker dan daarnet. We volgen enkele kleine straatjes en komen uit op een mooi binnenplein. ‘Zullen we hier eten?’ vraag ik. De ober die ons heeft zien staan, komt snel naar ons toe. ‘Kan ik jullie helpen?’ We geven aan dat we willen eten waarna hij ons meeneemt naar een tafeltje waar een fuschiakleurige bougainville naast groeit. De geur die uit de keuken komt, doet je honger krijgen.

Taverne Mouria bevindt zich in één van de oudste huizen van Skiathos. De Griekse schrijver Alexandros Papadiamantis kwam hier vroeger vaak aan een tafeltje zitten om te schrijven terwijl hij zijn geliefde ‘mosxato’ wijn dronk. Dat vertelt de vriendelijke ober ons wanneer hij hun zelfgemaakte witte huiswijn komt uitschenken. Ik voel mij meteen op mijn plek. De schorpioenvis die we hebben besteld, komt op z’n geheel met kop en stekels. Hij vraagt of we willen dat hij hem fileert. ‘Het lukt wel.’ antwoord ik. Zo moet je ze eten. Vers gevangen die dag, gebakken op de grill en met niets anders geserveerd dan een schijfje citroen. De schorpioenvis heeft stevig wit vlees en smaakt heerlijk. Wanneer de ober de borden komt afruimen, blijven enkel de graten over. De katten kijken ons misnoegd aan en vertrekken teleurgesteld naar een andere tafel in de hoop daar een restje te bemachtigen. Ze springen niet op je schoot, ze miauwen of klauwen niet maar kijken je aan met een blik die het grootste medelijden opwekt. Naast ervaren filosofen zijn het ook schitterende acteurs.  ‘Ik zie dat jullie kenners zijn.’ zegt hij. ‘Sommigen laten een halve vis liggen omdat ze niet weten hoe hem te fileren.’ Ik glimlach omwille van het compliment.

Devolgende dag rijden we richting ‘Kastro’, een restant van een Middeleeuws kasteel uit de 14e eeuw in het noordoosten van het eiland. Het is nog vroeg in de ochtend wanneer we aankomen. We zijn met de auto gereden tot waar de weg ophoudt. Van hier begint een aarden weg die door een pijnboombos loopt. Gelukkig staan er peilen want het Kastro is van hier niet te zien en je zou al snel denken dat je de verkeerde richting opgaat. Omdat we niet zeker zijn of we verder kunnen rijden, laten we de auto achter. Na een stuk door het bos gelopen te zijn, verandert het aarden weggetje in een geplaveid pad. Omdat het nog zo vroeg is, zijn we hier alleen. We lopen niet meer in de schaduw van de pijnbomen en de zon brandt al fel. Gelukkig hebben we water bij. Na zo’n twintig minuten afdalen, zien we in de verte de rots verschijnen met het Kastro. De hemel is blauw met slechts enkele witte wattenwolken die zo dichtbij lijken dat ik geneigd ben mijn hand uit te steken om ze aan te raken. Het geplaveide pad houdt opnieuw op. Om het Kastro te beklimmen moet je langs een aarden paadje met losse stenen. Langs de rand groeien prachtige distels met paarse bloemen en bij de struiken met gele bloemen zit het vol citroenvlindertjes. Behalve de wind is het stil. Achter de steile rotsen beneden verschijnt een strand dat er verlaten bij ligt.

Om zich te beschermen tegen de aanvallen van de barbaren verlieten de inwoners van Skiathos de Byzantijnse hoofdstad die nu Skiathos-stad is en bouwden ze het Kastro dat door zijn natuurlijke ligging op de rots veel gemakkelijker te verdedigen was. Het kasteel was enkel te bereiken via een houten ophaalbrug. Binnen de omringende muren stonden er vierhonderd huisjes, waren er wel twintig kerken en beschikten ze over watertanks met drinkbaar water. Tijdens de Turkse bezetting werd er ook een moskee gebouwd. Bij de ingang stond er een enorme ketel met hete olie die ze over mogelijke indringers goten en in de toren stond ook een kanon. Uiteindelijk keerden de overgebleven inwoners in 1829 terug naar Skiathos. Wat ze konden recuperen aan materialen namen ze mee.

We klimmen tussen de rotsen terug en volgen het pad. Mijn voeten zweten en glijden in mijn teenslippers. Het duurt niet lang of mijn huid schuurt open. Altijd handig om sportschoenen mee te nemen en ze dan in de auto te laten staan. Er is een lading toeristen toegekomen die zich nu een weg naar het kasteel proberen banen. Omdat het zo smal is, moet één van beiden steeds opzij. Het is nog warmer dan daarstraks en ik heb vreselijke dorst. Onze waterflessen zijn leeg. Terug op het geplaveide pad zoek ik zoveel mogelijk het klein streepje schaduw op van de pijnbomen. Ik weet dat het nog een heel stuk terug is en mijn open blein brandt. ‘Straks ontsmetten.’ zegt mijn reisgezel bezorgd. ‘Straks de zee in!’ antwoord ik hem. ‘Het zout zal de wonde snel genezen.’

Na tien minuten stappen zie ik een soort barakje afgezet met een rieten omheining en omringd met roze oleanders. Er staan blauwe tafels met witte stoelen en enkele bankjes. Wanneer ik het handgeschreven bord zie met ‘ouzo – water – softdrinks’ hou ik onmiddellijk halt. Ik hoor gerommel binnenin maar zie eerst niemand. We gaan toch zitten. Dan komt een vrouw buiten. Ze begroet ons, vraagt wat we willen drinken en gaat daarna onverstoord verder met de bloemen water te geven. Omdat de straal van de tuinslang overal heen spuit, worden ook de stoelen nat. Er komt een Engels koppel binnen. Ze willen gaan zitten op de natte stoelen, maar de vrouw grijpt net op tijd in. Ze bestellen bier. Hij heeft een grote buik en is roodverbrand. Zij heeft wild golvend bond haar. Terwijl we allen wachten op drank, bestudeert zij de kaart van het eiland en overlegt met haar man wat ze hierna willen bezoeken. Het ergert mij dat de vrouw eerst de bloemen water geeft want het lijkt mij dat ik meer dorst heb. Wanneer ze eindelijk komt met mijn versgeperste fruitsap zuig ik het glas bijna in een keer leeg. We blijven even zitten op dit gezellige terrasje in de koelte van de schaduw en vervolgen dan de tocht naar de plek waar we de auto achterlieten. Tegenover het barretje bleek nog een parking te zijn. Je kon dus eigenlijk nog veel dichter rijden. Op het moment dat we door het pijnbos lopen, komt een auto ons tegemoet gereden. Hij doet de droge aarde opwaaien in een bruine stofwolk. De bestuurder draait z’n raampje naar beneden en vraagt of het mogelijk is om verder te rijden. We zeggen hem dat het geen probleem is.

Ik heb gelezen dat de stranden aan de noordkust van Skiathos nog ongerept zijn en dus wil ik er heel graag één bezoeken. Alleen is het moeilijk er te geraken omdat er langs deze kant van het eiland weinig verharde wegen zijn. Tussen een veld met olijfbomen zien we dat er een weg naar beneden loopt en in de buurt ervan staat ook een pijl met ‘beach’ erop. Beneden schittert inderdaad een turkooisblauwe zee. In mijn enthousiasme overtuig ik mijn reisgenoot om het pad op te gaan. ‘Ben je zeker?’ vraagt hij meewarig. Het eerste stuk lukt vrij goed. We rijden met een slakkengangetje over het hobbelige pad naar beneden. Maar hoe verder we rijden hoe minder pad erover blijft tot er uiteindelijk alleen nog stenen en verdord gras overschieten. ‘Wat nu?’ Ik stap uit. ‘Ik ga kijken!’ Ik wil zo graag bij het strand geraken, maar het pad lijkt er verder niet beter op te worden. Dit kan onze kleine huurauto niet aan. Teleurgesteld stap ik weer in. Traag hobbelend over de keien keren we terug naar de verharde weg. Niet veel verder komen we een restaurant tegen en gezien het toch al middag is besluiten we te stoppen. We krijgen een tafeltje op het balkon vanwaar je een prachtig uitzicht hebt over de zee. Ik heb het wat frisjes en trek mijn pull aan. Even later komen ook de Engelsen die we eerder in het barretje zagen toe. Ik bestel ‘gemista’, gevulde groenten. Ze zijn perfect klaargemaakt. Onder ons zie ik een moestuin die vol staat met pepers en tomaten. Verser dan dit kan niet. 

Skiathos heeft heel wat mooie stranden. We kiezen Koukounaries, wat dennenappels betekent, eruit omdat het zo geprezen wordt om zijn goudgele zand, het kristalheldere water en zijn groene pijnbomen die het strand omzomen. Het bos vormt samen met het zoetwatermeer Strofylia een beschermd natuurgebied en is een trekpleister voor heel wat vogels.

Het eiland is klein en na een half uurtje rijden, zijn we al op bestemming. We parkeren de auto onder de schaduw van een boom en pakken onze strandspullen eruit. Zoals ik had verwacht is het vrij druk, maar gelukkig is het al late namiddag waardoor sommigen al naar hun hotel terugkeren om zich klaar te maken voor het avondeten en vinden we nog een vrije strandstoel. Het zand voelt heerlijk zacht, het water is niet te koud en de zon geeft juist genoeg warmte. Wanneer de zon wegzakt en mijn ligbed in de schaduw komt te liggen, rapen we onze spullen terug bij elkaar.

’s Avonds gaan we nog een cocktail drinken bij de haven in Skiathos-stad. Aan de kade tegenover ons liggen toeristenboten met grote posters die excursies aankondigen. De meeste bieden de trip aan naar de plek waar er gefilmd werd voor ‘Mamma Mia’. Voorbijgangers worden prompt aangeklampt door een verkoopster die ernaast staat. Als ze geen interesse tonen voor de musical dan kunnen ze ook nog altijd naar het prachtige strand ‘Lalaria’ waar je enkel en alleen met de boot kan komen. Er liggen ook heel wat dure yachten in de haven. Vrouwen die eruit zien als Paris Hilton komen ’s avonds van boord en gaan op hoge hakken en doorzichtige jurken naar trendy cocktail bars om vertier op te zoeken. Hun mannen dragen gouden kettingen en witte broeken. Ik hou niet zo van die mondaine wereld, maar het is wel leuk om naar te kijken. Eén cocktail lang. Langer hoeft het niet.

De volgende ochtend stel ik voor om koffie te gaan drinken aan het strand tegenover ons verblijf. Het heeft net zo’n goudgeel zand als dat van Koukounaries, alleen komen de pijnbomen hier niet zo dichtbij het strand. Het is nog vroeg en er is weinig volk. Koffie drinken, de zon voelen en over de zee uit staren. Er is geen heerlijker manier om wakker te worden!

Olijfolie – Het naslagwerk

Het was per ongeluk dat mijn ogen vielen op de witte kaft met gouden opschrift van dit boek, op zoek naar een verjaardagscadeautje. Ik twijfelde nog even want het zat omhuld in plastic en ik kon dus enkel de achterflap lezen. Maar een boek over olijfolie, hier was ik reeds lang naar op zoek, dus meepakken maar!

Wilma Van Grinsven – Padberg heet de auteur en haar onderschrift luidt: ‘olijfoliesommelier’. ‘Kan je dit echt worden?’ gaat het door mijn hoofd, ‘En hoe dan?’ Ik hoef niet lang te wachten want het antwoord kan ik zo lezen in haar boek.

Ik hou van olijfbomen, van hun knoestige stammen in allerlei grillige vormen. Van het feit dat ze zo oud kunnen worden en dat ze dus verhalen van vroeger meedragen. Van andere levens en andere werelden. Zoals oude potscherven of tempels met witmarmeren zuilen. Ik hou van hun zilvergroene bladeren die het Mediterrane licht zo mooi weerkaatsen. Zoals Van Grinsven – Padberg ook in haar boek vertelt, speelde de olijfboom een rol in het mythologische verhaal waarin de godin Athena de strijd aangaat met de god Poseidon over de toekenning van de stad Athene. Atleten wreven zich voor een wedstrijd in met olijfolie en de overwinnaar kreeg een krans van olijventakken. In Knossos werden pithoi gevonden met sporen van olijfolie.

Ik hield niet echt van olijven, toen ik ze voor het eerst proefde. Maar nu wel. En dat er heel wat smaakvariaties bestaan in olijfolie dat begon ik na vele jaren proeven ook te ondervinden. In het boek maakt Van Grinsven – Padberg ons duidelijk welke soorten olijfolie er bestaan, welke variëteiten en hoe olijfolie precies wordt gemaakt. Meer nog, ze legt uit hoe een kwalitatieve olijfolie te onderscheiden van een met defects en hoe er wordt geproefd volgens de regels van de International Olive Councel tijdens wedstrijden.

Ze schuwt verder het feit niet dat er jammer genoeg ook fraude wordt gepleegd en toont ons waar we als klant kunnen op letten om toch een goede olijfolie te kopen. Het is ook erg interessant om weten dat er research wordt gedaan in laboratoria om de identiteit van een olijfolie vast te stellen via massaspectrometrie en licht-spectroscopie. Wist je dat er zelfs apparaatjes worden ontwikkeld die je olijfolie ‘scannen’ en je via je smartphone te weten komt over welk soort olijfolie het gaat? Spannend niet?

Dat olijfolie goed is voor de gezondheid dat wisten we natuurlijk al langer. Maar ik wil mij vooral aansluiten bij haar warme pleidooi om olijfolie de eer toe te kennen die ze verdient. Haar ultieme doel is dat olijfolie op de menukaart komt met vermelding van het oogstjaar, net zoals dat voor wijn gedaan wordt. Met haar masterclasses olijfolie die ze aan culinaire chefs geeft, zet ze hen alvast op weg.

Ik hou van olijfolie en nu nog meer. Met haar boek beantwoordde ze al heel wat van mijn vragen. Maar mijn nieuwsgierigheid is eigenlijk alleen maar groter geworden. Wil je deze zomer op een Grieks terras écht olijfolie leren proeven, wel neem dit mooi vormgegeven boekje maar mee. Ik durf erom wedden dat olijfolie nooit meer hetzelfde smaakt!