Jaren terug las ik in Griekenlandmagazine een artikel over hotel Porfyron. Dat rode huis in het bergdorp Ano Pedina in de Zagori sprak meteen tot mijn verbeelding. Ik dacht als ik ooit in de Zagori kom, dan wil ik naar dat rode huis.
Met ons busje reden we vanuit Ioannina de bergen in. We lieten de stadse drukte achter ons. Hoe hoger we klommen, hoe weidser het landschap. Ruige, kale bergen en groene vlaktes wisselden elkaar af. Er waren slechts weinig andere auto’s. Hoewel we op voorhand via mail goede instructies hadden gekregen van Rita, misten we de eerste keer toch de juiste afslag naar Ano Pedina. Maar we merkten het algauw en maakten rechtsomkeer. In geval van nood hadden we ook nog een telefoonnummer van haar. Dat was niet nodig. Na enige tijd reden we het bergdorp in. Links en rechts zagen we die typische huizen gebouwd uit de grijze natuursteen die je hier vindt met hun karakteristieke daken. Maar het rode huis zagen we nog niet meteen. We vervolgden het smalle weggetje omhoog toen ineens net iets hogerop nog het statige, rode huis tevoorschijn kwam. We parkeren het busje langs de weg en laden het gerief uit. Ik ben wat zenuwachtig. Rita klonk erg vriendelijk in de mails die we elkaar stuurden, maar hoe zal het in het echt meevallen? Langs een houten poortje komen we op de binnenkoer. Rechts op het terras likt een kat haar voorpoot en wrijft ermee over haar kop. Ze staart ons aan maar blijft rustig zitten. Er zijn twee deuren en we weten niet
meteen waar de ingang zich bevindt. Die recht voor ons wordt geopend. Rita komt uit de deuropening en heet ons welkom. We gaan binnen. Ik zie een prachtige, oude houten trap en een donkerhouten boekenkast. Ik hou van boeken in huis. Het was de Romeinse redenaar en filosoof Cicero die zei: een huis zonder boeken, is als een lichaam zonder ziel. Wanneer ik ergens kom en boeken zie, dan weet ik dat ik het wel zal kunnen vinden met de mensen die er wonen. Binnen was het schemerduister en stil. Rita liet ons onderling kiezen uit de vrije kamers. Luidruchtig overleg. Toen we er niet echt uitgeraakten, reikte ze ons één voor één een sleutel aan. Ze leek me op het eerste zicht wat onwennig. Of misschien was het iets anders. Er brak iets toen we binnenkwamen. Met onze onstuimige, stadse energie sloegen we haast de stilte aan diggelen. Misschien was het dat wat haar ongemakkelijk maakte. Waarschijnlijk was ze een ander soort klanten gewoon. Ik nam me voor erop te letten dat we als groep niet teveel lawaai maakten in huis. De oude houten trap kraakte onder onze voetstappen. Dit is wat oude huizen zo mooi maakt. Ze spreken, ze vertellen een verhaal. De kamer was ruim. De hoge ramen met smeedijzer ervoor keken uit op het dal. Ik ging op zoek naar een extra deken. Het was pas mei en hier in de bergen kon het nog goed afkoelen.

Wanneer we opgefrist waren, gingen we terug naar beneden waar Rita ons had uitgenodigd voor een drankje aan de bar. In het smalle gangetje dat naar de leefruimte leidde, hing een kader aan de muur met een artikel. Ik bleef even staan lezen. ‘Toen ik het Griekse dorpje zag, was ik meteen verkocht.’ luidt de titel. Rita vertelt over haar leven, hoe ze haar Griekse man Yiannis ontmoette en hoe ze hier uiteindelijk in de Zagori terechtkwam.
Bij de bar bestellen we elk wat te drinken. In de leefruimte staat een grote, houten tafel die vol ligt met brochures, magazines en boeken. Langs de wand een houten rek met zelfgemaakte confituurtjes en enkele exemplaren van haar kookboek ‘Smaken van de Griekse Zagori’ dat ze zelf schreef en eerder dit jaar uitgebracht werd. Daarnaast een open haard en achterin de ruimte de tafels waar de gasten kunnen dineren. De bar die gevuld is met een hele reeks glazen flessen, oogt mooi. Rita legt uit dat dit het resultaat is van haar uit de hand gelopen hobby: likeurtjes maken. Dat ze er best fier op is, valt niet te ontkennen want na elk avondmaal krijgen we telkens een ander likeurtje te proeven.
Yiannis komt binnen langs de zijdeur en begroet ons. Ineens rinkelt de telefoon. Ik hoor haar zeggen dat we goed toegekomen zijn en er zo meteen aankomen. Wanneer ze neerlegt, vertaalt ze in het Nederlands dat het Lena was die vroeg of we eraan kwamen voor de workshop kaasmaken. Het heeft met kleine dingen te maken. Zomaar ineens voel ik me geen toerist meer. Het lijkt wel alsof we al deel uitmaken van het dorp. En ook hier krijgen we steeds meer het huiselijke gevoel. Zoals ’s avonds bijvoorbeeld wanneer de gasten eten en Yiannis even op een stoel gaat zitten terwijl hij een boek leest. En Rita die achter de toog aan haar computer zit en even facebook checkt. Of wanneer ik na de hike in de Vikos kloof de volgende dag opsta met keiharde spierpijn en ze me een zalf wil geven om de pijn te verlichten. Of wanneer één van ons ziek wordt en een dag in bed belandt en ze aanbiedt om wat thee of soep te maken. Wanneer we vertrekken, wordt er hartelijk afscheid genomen. Hotel Porfyron werd voor even ook ons rode huis.

We komen terug van onze uitstap naar de archeologische site van Dodoni. Buiten op het terras van hotel Porfyron wachten de katten ons op, terwijl we binnen verwelkomd worden door Rita. ‘Hebben jullie het naar jullie zin gehad?’ vraagt ze vriendelijk. ‘Als jullie het goed vinden, beginnen we zo met de kookworkshop. Maar misschien willen jullie eerst nog wat te drinken?’ Dat lijkt ons een heel goed plan. We nestelen ons in de zetels bij het haardvuur om even tot rust te komen. Maar als gastvrouw of –heer kan je niet op je luie kont gaan zitten, want straks komen de gasten en dus moet het avondmaal op tijd klaar zijn. Rita komt ons halen en vraagt of we klaar zijn om te koken. We volgen haar de keuken in, waar we één voor één een kleurrijke schort krijgen om aan te trekken. De mannen zijn net iets minder enthousiast en blijven wat treuzelen, maar na wat gesputter binden ze toch ook hun schort voor.
We gaan moussaka maken, ik kijk er alvast naar uit. De aubergines gaan in een ‘tapsi’, een ‘ronde, blikken schaal’ de oven in. Dit lijkt me ook een trucje van Rita. Meestal worden alle groenten in een pan gefrituurd, maar door ze in de oven te bakken wordt er veel minder vet opgeslorpt waardoor de moussaka minder zwaar zal zijn. Ook de Griekse courgettes, die er anders uitzien dan de onze, ze zijn lichtgroen en kleiner van vorm, worden in de schijfjes gesneden. De overgebleven courgettes worden geraspt en uitgelekt om het voorgerecht te bereiden. Ik nip van mijn glas rode wijn en laat mijn ogen dwalen over de aluminium keuken. Het mooist van al vind ik de oude blikken schalen, geblutst en gekrast en de zwartgeblakerde pan waarin de courgettes worden gebakken. Hoe het precies komt, weet ik niet, maar in de oudste potten en pannen maak je het lekkerste eten. Ik neem nog enkele foto’s en overhandig dan m’n camera zodanig dat ik ook even de handen uit de mouwen kan steken. De gehaktsaus met tomaten die heeft staan pruttelen op het vuur, mag nu uitgestreken worden op de laagjes gebakken aardappel, aubergine en courgette. Als laatste wordt de bechamel gemaakt. Vele handen maken licht werk en de kookworkshop gaat snel vooruit.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.