Thessaloniki

Witte Toren – Λευκός Πύργος

20130703_180426Wanneer je wandelt langs de zee op de mooie Nikis boulevard, zie je reeds in de verte het symbool van Thessaloniki verschijnen, de Lefkos Pyrgos of de Witte Toren. Deze toren maakte oorspronkelijk deel uit van een Byzantijnse versterking, maar werd later door de Ottomanen herbouwd om de haven te verdedigen. Tijdens de Ottomaanse periode deed de toren ook dienst als gevangenis en werden er massa-executies uitgevoerd. Toen de Grieken zich echter bevrijdden van de Ottomanen, maakten ze de toren symbool van hun onafhankelijkheid.  De toren die ook de bloedtoren werd genoemd, als verwijzing naar de vele executies, werd nu witgekalkt en kreeg vanaf dan de naam Witte Toren. De toren ziet er vandaag eerder beige uit dan wit en doet tegenwoordig dienst als museum. Via een trap aan de binnenkant kan je bovenop de toren geraken vanwaar je een prachtig uitzicht hebt. Als je na het wandelen zin hebt om even te gaan zitten, is er keuze te over aan gezellige cafeetjes. Langs de Nikis boulevard ligt het ene café naast het andere met zicht op de zee. Dit is de ontmoetingsplaats voor Grieken, hier komen ze voor hun dagelijkse koffie. Zelfs als het koud is zitten de terrassen vol, ze zijn immers voorzien van verwarmingselementen. Een ding is zeker, een Griek kan niet zonder zijn koffie!

Tsimiski straat – Οδός Τσιμισκή

Parallel aan de Nikis boulevard loopt iets hoger de Odos Tsimiski, de winkelstraat bij uitstek. Vrouwen op torenhoge hakken flaneren zonder waggelen en zonder struikelen van de ene vitrine naar de andere. Wat niet meteen een evidentie is als je weet hoe Griekse voetpaden eruit zien. Vaak oneffen, gebobbeld, soms plots versmallend of ophoudend, met lage bomen die plots opduiken op het midden van de stoep – ja inderdaad in de zomer geven ze de nodige schaduw, maar waarom in het midden van de stoep? – en natuurlijk niet te vergeten de fout geparkeerde auto’s die met hun neus of achterste het pad versperren. We moeten wel toegeven dat ondanks de onhebbelijke gewoonte van Grieken om overal zo dicht mogelijk te parkeren om toch maar niet te hoeven stappen, het ook een feit is dat er vaak te weinig parking is voorzien. Logisch dus dat men dubbel gaat parkeren en op de stoep gaat staan. Een parkeerplaats vinden in hartje Thessaloniki is dan ook geen sinecure. Dus dan maar zoveel mogelijk te voet. En Thessaloniki is een stad die zich uitstekend leent om te voet te verkennen. De meeste bezienswaardigheden liggen niet heel ver uit elkaar. Voor vrouwen op hoge hakken of niet, is de Tsimiski straat hoedanook een erg leuke plek om te wandelen en te winkelen.

De Ladadika – Τα Λαδάδικα

Ta LadadikaWie van al het wandelen honger heeft gekregen, moet absoluut naar de buurt die Ta Ladadika heet. Deze charmante oude wijk met zijn geplaveide nauwe straatjes en oude huizen heeft een grote keuze aan restaurants en tavernes en is zowel overdag als ’s avonds heel gezellig. Ook hier zijn de terrassen vaak overdekt en verwarmd en zelfs wanneer de regen met pijpenstelen uit de lucht valt, blijven de Grieken onverstoord verder eten. Het heeft zelfs zijn charme, het gekletter van de regen op de kasseien die wanneer ze nat zijn gaan glanzen en de kleurrijke verlichting van de restaurants weerspiegelen, luid babbelende Grieken die het geluid van de regen en andere bezoekers willen overstemmen en op de achtergrond de klanken van Griekse muziek. Ta Ladadika was oorspronkelijk een Joodse buurt waar olijfolie verhandeld werd. De naam verwijst dan ook naar het Griekse woord ‘ladi’ wat ‘olie’ betekent.

 

Archeologisch Museum – Αρχαιολογικό Μουσείο

Archeologisch Museum ThessalonikiDe laatste jaren is er enorm veel werk geleverd om de musea van Griekenland te moderniseren. Een absoluut mooi voorbeeld daarvan is het Archeologisch Museum van Thessaloniki dat zich niet ver van de Witte Toren bevindt. Steeds vaker worden de nieuwste technologische snufjes aangewend om de vondsten nog beter tot hun recht te laten komen en om de historische achtergrond te schetsen. Waar je op het eerste zicht zou denken dat deze moderne technologie de oude vondsten eerder doet zwijgen dan spreken, blijkt dit toch niet het geval. Het lijkt wel dat door de verschillende projecties en de mogelijkheid tot interactie het verhaal achter deze objecten nog meer tot leven komt. Daar waar je op de site zelf vooral je eigen fantasie nodig hebt om de stenen tot leven te wekken, helpt de moderne technologie je in het museum om dit te doen. Ook aan de belichting is in dit museum heel wat aandacht besteed. Men kan gerust enkele uren doorbrengen in dit prachtige museum.  Er zijn heel wat objecten tentoongesteld uit de Macedonische periode waaronder ook de vele fijn gesculptureerde goudvonsten. De wellicht bekendste vondst van het museum is echter de zogenaamde Derveni krater. Deze impressionante krater die opgegraven werd in het dorp Derveni, beeldt het mythologische verhaal uit van Dionysos en Ariadne.

Kreta – Psaromoura Residence

Psaromoura ResidenceHeb je er al altijd van gedroomd hoe het voelt te leven op een Grieks eiland? Dan is Psaromoura Residence op Kreta de ideale plaats om dit te beleven! De villa bevindt zich hoog op een heuvel, in het dorpje Agia Pelagia, zo’n 17 km ten westen van Heraklion en is rustig gelegen.

Dit prachtige huis met z’n warme terracottakleur en de fuchsiakleurige bougainville die zich weelderig over het balkon uitstrekt beschikt over 5 slaapkamers die in totaal plaats bieden aan 8 personen.

Beneden is er een volledig ingericht salon met keuken waar je gezellig met vrienden en familie kan koken of ontspannen. Ook is er op het aangename terras buiten een barbecue voorzien, terwijl de kinderen zich ondertussen kunnen uitleven in de veilig omheinde tuin.

Via aangelegde trappen kan m’n via de heuvel afdalen naar het witte keienstrand dat Psaromoura heet. Manos, de gastheer, vertelt me wat die naam betekent. ‘Psari’ betekent ‘vis en ‘mouri’ is gezicht’. De vorm van de baai doet dus denken aan de kop van een vis. Wanneer ik hem vraag waarom mensen naar Agia Pelagia moeten komen dan wijst hij op de ideale ligging. Ongeveer in het midden gesitueerd is het eenvoudig om zowel het westen als het oosten van Kreta te ontdekken. En verder? Gewoon relaxen en genieten van de pure Kretenzische keuken! Voor de mensen die toch een actieve vakantie verkiezen, zijn er eveneens tal van mogelijkheden zoals duiken, vissen, een boot huren, fietsen of paardrijden. In de zomer zijn er ook heel wat evenementen zoals avonden met Kretenzische muziek. Een smal straatje leidt van de villa naar het dorp zelf waar tal van tavernes, bars en winkeltjes zijn. Wie een zandstrand verkiest, kan dus ook gemakkelijk hierheen komen.

De villa biedt een prachtig zicht op de baai en de blauwe Egeïsche Zee. Beeld je in hoe je vanop het terras, genietend van een Kretenzisch wijntje, de kleuren van de zonovergoten dag ziet veranderen van roze, naar paars en uiteindelijk naar het donkerblauw van de nacht. De jasmijnstruiken verspreiden een heerlijk zwoele geur en als je dan al die sterren ziet fonkelen, zoals ze in het Grieks zo mooi zeggen ‘de ogen van de hemel’, dan heb je maar één wens, hier zo snel mogelijk terugkomen!

Meer informatie:

Manolis Verikokidis

Tel.: +30/69/726.981.02

Mail: psaromoura.residence@gmail.com

Odysseus – een zwerver komt thuis

20170417_125728Ik bevind me in één van de loges van de Minard Schouwburg, op een houten stoel met elegante poten en een  roodfluwelen zitting. Het heeft iets, bedenk ik mij, dat statige interieur met zijn met goud versierde balkons en barokke ornamenten, het geeft je ineens het gevoel geprivilegieerd te zijn, als één of andere prinses in haar koninklijke paleis. Toeschouwers stromen binnen, mensen wringen zich langs anderen die al zitten, sommigen bladeren in hun Odysseus krant die we bij de inkom toegestoken kregen. Er heerst rumoer, er hangt verwachting in de lucht. Ik bekijk aandachtig de scène. Achteraan een blauwverlicht doek met pieken, ik vermoed de bergen van het eiland Ithaka. Op het podium niets, behalve links en rechts een soort statieven met een gloeilamp op en metalen emmers. Waarschijnlijk het paleis.

20170318_105737Reeds vele jaren terug heb ik Odysseus voor het eerst ontmoet. Niet op Ithaka, niet in een paleis, maar in een kleine klas van drie waar we de Oud-Griekse tekst vertaalden naar het Nederlands samen met onze lerares. Ik keek er telkens opnieuw naar uit, naar die verhalen. We werden meegenomen in een wereld die ver voor de onze bestond en hoe wonderlijk dat wij nog steeds die oude woorden konden lezen, dat een stem zo oud nog steeds levendig sprak. Ik voelde me toen al bevoorrecht die verhalen te kunnen lezen. En nee, dat ging niet altijd vanzelf. Meer dan eens heb ik gevloekt als ik een zin in het Oud-Grieks niet ontcijferd kreeg en ik niet tot een correcte vertaling kwam. Dan vroeg ik mijn vader, die zelf ooit Oud-Grieks studeerde, en tot mijn grote bewondering nog volledige zinnen uit het hoofd kan opzeggen, of hij mij kon helpen. Hij kwam dan naast mij zitten. Gewapend met een vertaalwoordenboek, de ‘katalogos’ en het zalmkleurige grammaticaboek in A5 formaat gingen we de zinnen te lijf. Het was vaak zwoegen tot laat in de avond, maar ik heb het me nooit beklaagd. En mocht ik opnieuw mogen kiezen, ik koos net dezelfde studie. Een van de passages die mij het meeste bij bleven is die waarbij Odysseus bij zijn terugkeer als eerste wordt herkend door zijn trouwe hond Argos en daarna de passage waarbij zijn vrouw Penelope de proef op de som neemt door te vragen naar een geheim dat alleen zij twee kennen: hun bed dat hij zelf gemaakt heeft uit een eeuwenoude olijfboom die midden in de kamer groeide. Wanneer ze voorstelt om het te verplaatsen, antwoordt Odysseus verbouwereerd dat dit onmogelijk is. Daaraan weet Penelope dat hij echt Odysseus is. Het meest tot de verbeelding sprekend zijn zeker de passages met Kirke, de tovenares, Kalypso, de nimf, en de Sirenen, zeenimfen met het lichaam van een vogel die met hun verleidelijke zangen de zeelui lokken en hun schip laten stukslaan op de rotsen. En hoe mooi die aanhef: ‘Bezing mij, muze, de vindingrijke man, die zeer veel rondzwierf, nadat hij de heilige stad Troje verwoest had.’

Ἄνδρα μοι ἔννεπε, Μοῦσα, πολύτροπον,

ὃς μάλα πολλὰ πλάγχθη,

ἐπεὶ Τροίης ἱερὸν πτολίεθρον ἔπερσε.

Het geluid van een sirene weerklinkt, de lichten worden gedoofd. De eerste acteur komt op scène, spreidt een blauw doek die hij opgerold onder z’n arm droeg, uit op de planken. Valentijn Dhaenens vertelt ons in zang 13 hoe Odysseus door de Faiaken, een gastvrij volk dat op het eiland Scheria woont, naar Ithaka wordt gebracht waar hij ontwaakt. Scheria of Phaeacia zou overeenkomen met het huidige Corfu, hoewel er twijfel bestaat en sommigen van mening zijn dat het om Kreta zou gaan. ‘Pontikinisi’, het ‘muizeneiland’ bij Corfu zou trouwens het versteende schip van de Faiaken voorstellen. Hoedanook, het is Nausicaä, de dochter van Alkinoös, koning van de Faiaken die Odysseus vindt op het strand van Scheria en hem naar het paleis brengt waar hij gastvrij wordt ontvangen. Wanneer het schip aankomt op Ithaka weet Odysseus aanvankelijk niet waar hij zich bevindt, maar de godin Athene verschijnt aan hem en onthult hem dat hij zich in z’n vaderland bevindt. Penelope die in hun paleis belaagd wordt door opdringerige vrijers die maar al te graag zijn plaats willen innemen, probeert met allerlei listen het gedwongen huwelijk uit te stellen. Dat de vrijers niet op zijn terugkeer zitten te wachten, mag duidelijk zijn. Om Odysseus te helpen tegen de vrijers vermomt de godin Athene hem in een oude bedelaar. De monoloog is soms verwarrend, in die zin dat de acteur én verteller is én ook afwisselend een ander personage dat nu eens met de stem van Odysseus spreekt of met die van Athene. Maar het verhaal blijft gelukkig niet plakken op het podium, het vult de ruimte en reikt tot bij de toeschouwers. De acteur heeft voldoende vertelkracht om de woorden tot leven te wekken en ons mee te nemen op deze reis.

“Wanneer je op weg gaat naar Ithaka, hoop dan dat je reis lang mag zijn…”

Ik moet denken aan de eerste zin uit het beroemde gedicht van Konstantinos Kavafis, ‘Ithaki’. Voor mij één van de meest krachtige en symbolische gedichten ooit. Niet alleen is het een prachtige weergave van de Odyssee, het is eveneens de representatie van het leven zelf. Deze tweeledige symboliek is bijzonder en het is een gedicht dat altijd in mijn koffer zit en dat nu en dan, wanneer ik het soms vergeet dat het er is, opduikt van tussen de kledij en de schoenen. Het is een gedicht dat ik pas veel later heb ontdekt en ik heb me ook toen al tijdens de lessen afgevraagd waarom er niet meer een link werd gelegd tussen de antieke en moderne geschiedenis van Griekenland. Maar goed, het maakt reizen des te interessanter als er nog altijd nieuwe dingen te ontdekken zijn.

20170318_120229Na een korte pauze komt een tweede acteur op scène. Frank Focketyn vertelt ons zang 14. Hierin ontmoet Odysseus zijn trouwe varkenshoeder Eumaios. Ik weet niet precies waarom, maar ik heb altijd een zekere sympathie gehad voor die varkenshoeder. Misschien omdat hij rechtuit is, down to earth. Bij het lezen of horen van het verhaal duikt bij mij spontaan een beeld van hem op. Een oudere man, met licht gekromde rug, gekleed in een juten mantel (hoewel ik niet weet of dat toen bestond – het zal waarschijnlijk eerder een wollen mantel geweest zijn), leunend op een houten herdersstaf. De plaats waar hij woont is een soort grot met in het midden een houtvuur waarop hij kookt, tegen de ene wand een houten bed met een schapenvacht erop en links en rechts zijn materiaal. Buiten een niet al te groot stuk grond waarop de varkens vrij rondlopen met hier en daar wat verdord gras en in de verte een olijfboom. Ook nu weer spreidt hij een groot blauw zeil uit op de vloer. De ene keer stelt het de zee voor, een boot, dan weer een mantel. Je moet het maar doen als acteur, daar staan met niets anders dan je lichaam, je stem en een stuk zeil. Maar Frank Focketyn overdondert, het verhaal is niet alleen in zijn stem gekropen, het zit ook in zijn lichaam. Het mooist is wanneer acteur en verhaal één worden. Dat is de echte uitdaging van wie een rol op zich neemt. Odysseus doet alsof hij iemand anders is, maar probeert Eumaios die hem vertelt over de vrijers en de reis van zijn zoon Telemachos, toch duidelijk te maken dat er weldra een einde komt aan al die ellende want dat Odysseus terug is. De varkenshoeder gelooft het niet. Je denkt: ‘Komaan Odysseus, vertel het hem! Overtuig hem!’ Je denkt: ‘Komaan Eumaios, geloof hem, kijk dan toch, zie wie er voor je staat!’

Pauze. De lichten gaan aan. We verlaten in sneltempo de loge want we hebben welgeteld twintig minuten om iets te eten. Op het menu staat Odyssoep, een Penelopeslaatje en Moussakalypso. We gaan voor de moussaka die we opeten aan de bar. Het smaakt naar meer. Hoewel we ons haasten, gaat de sirene al om het begin aan te kondigen. Om de acteurs niet te storen, wordt wie later is niet meer toegelaten. We blijven dus zitten aan de bar. De voorstelling wordt gefilmd en dus kunnen we hier verder volgen op een scherm. Het geluid wordt wat hoger gezet, maar door het rumoer en geklater van borden en bestek kan je nauwelijks horen wat er gezegd wordt. Zang 15 waarin de godin Athena Odysseus’ zoon Telemachos gebiedt te vertrekken uit Sparta wordt gebracht door Soufiane Chilah en ontgaat ons jammer genoeg. We maken van de nood een deugd en bestellen nog een drankje.

20170318_135641Acteur Tom Van Bauwel brengt ons zang 16. Ondertussen zitten we terug in onze loge. Al aan het einde van zang 13 werd het decor enigszins aangepast. Voor het doek waarop de bergen werden afgebeeld, staan een soort koperkleurige, vierkante spiegels op statieven. Ik heb me al een hele tijd zitten afvragen wat ze moeten voorstellen. Aanvankelijk dacht ik, zoals Homeros het zo mooi beschrijft, de rozevingerige dageraad. Tom Van Bauwel heeft niets anders bij dan een klein plastic flesje water. Deze keer geen blauw zeil, hij moet het dus met nog minder doen. Hij vertelt ons hoe Odysseus terug zijn echte gedaante aanneemt zodat Telemachos hem kan herkennen. Samen bedenken ze een plan tegen die afschuwelijke vrijers.

We hebben opnieuw twintig minuten pauze en besluiten naar buiten te gaan om even frisse lucht op te snuiven. Ik kijk uit naar de volgende passage want in zang 17 wordt Odysseus die samen met Eumaios op weg is naar het paleis en nu opnieuw vermomd is als oude bedelaar voor het eerst echt herkend door zijn trouwe hond Argos. Frank Dierens neemt deze keer de rol op zich en doet dat innemend. Het is ook de enige keer dat ik het gevoel krijg dat de onzichtbare grens tussen acteur en toeschouwer verbroken wordt. Misschien omdat hij op de rand van het podium gaat zitten, zijn benen erover bungelend waardoor het lijkt of hij net iets minder acteur wordt en een klein stukje meer toeschouwer. Of misschien is het gewoon de manier waarop hij het brengt. Van alle kostumeringen vind ik de zijne het mooist: een wijde, wollen witte mantel. Ik weet niet waarom de andere kostuums steeds donkerblauw of zwart waren en deze nu wit. Het valt me ook op dat de spiegels zijn gedraaid waardoor ze geen licht weerkaatsen. Ik begrijp evenmin waarom. Is het nu nacht? Is het donker in het paleis?

In zang 18 komt Odysseus aan in het paleis waar Penelope met de vrijers rond de tafel zit. Reeds vroeger al, zat ik ongeduldig te wachten tot Penelope volledig geschrokken uit zo roepen: ‘Odysseus, je bent terug!’ Maar dat gebeurt niet. Homeros vond het te vroeg voor de apotheose. Penelope herkent Odysseus niet. Ik weet nog dat het mij ook toen in de klas al triestig stemde. Hoe kon ze nu haar eigen man niet herkennen, zelf al was hij vermomd als bedelaar. Kris Cuppens brengt ons de meest robuuste versie. Alleen al de donkere mantel die in verschillende lagen over zijn schouders gedrapeerd hangt, heeft iets woest. Met zijn handen maakt hij manhaftige gebaren terwijl hij met brute stem de beledigingen van de vrijers in Odysseus’ gezicht spuugt. Naar het einde toe gooit hij zijn donkere mantel op het podium en beëindigt zijn monoloog in blote bast. De Mediterraanse macho is niet veraf. Wat het decor betreft, hebben enkel de spiegels een wijziging ondergaan. Ze zijn nu licht gekanteld en weerkaatsen het spotlicht dat vanonder aan het statief is bevestigd. Op het doek achteraan waarop daarnet nog een witachtig licht te zien was, is er nu een rode gloed geprojecteerd , als van de ondergaande zon.

Nog een laatste pauze van twintig minuten. Ideaal om beneden nog een stukje Griekse sinaasappelcake te proeven. Grieks gebak is vaak mierzoet. Maar ook dit smaakt naar meer. Het gebakje heeft de juiste balans tussen het zoet van de siroop en het bitter van de sinaasappelen. Het werd ook mooi afgewerkt met halve partjes ingemaakte sinaasappelschijfjes. Terug op krachten keren we terug naar onze loge, die na bijna een halve dag theater, als onze plek voelt.

20170318_165838In zang 19 ontmoeten we Eurykleia, de voedster. Dit is nog één van mijn geliefde passages. Het is niet zijn eigen vrouw die hem eerst herkent, maar de vrouw die hem heeft grootgebracht. Odysseus en zijn zoon verwijderen eerst de wapens uit het paleis, waarna de bedelaar zijn ware identiteit onthult tegenover Penelope. Om te zien of hij de waarheid spreekt, haalt Penelope de oude voedster erbij. Ze beveelt Eurykleia hem een voetbad te geven. En het is aan het litteken op z’n voet dat ze Odysseus herkent. Steven Van Watermeulen brengt voor het eerst in deel III Iemand Niemand een dubbelrol. De spiegels zijn verschoven en zijn nu gecentreerd naar het midden van het podium. Ze weerkaatsen aanvankelijk nog steeds de spots die er van onderaan op gericht staan, maar de acteur zal ze ook verplaatsen en doen kantelen. Er komt weer een blauw doek aan te pas dat op het podium belandt. Op het einde transformeert de monoloog in een dialoog, gespeeld door hem alleen. Voor de spiegels staan twee krukjes opgesteld waar hij afwisselend op gaat zitten. Nu eens speelt hij Odysseus, dan weer Eurykleia. Hoewel hier de verschillende personages visueel opgesplitst worden, breng het mij eerder in de war. Alsof we nu ineens duidelijk gemaakt moeten worden dat er meerdere personages spreken. Alsof de verteller ineens toeschouwer wordt en de monoloog theater.

Het doek valt. Ithaka verdwijnt. Er volgt een luid applaus. Buiten loopt de grijsheid en de drukte tegen me aan. Nog tot laat in de avond hoor ik Homeros’ stem in mijn hoofd.

In de Odysseus krant lees ik dat de aanleiding voor deze theatervoorstelling de nieuwe vertaling is van de Odyssee door classicus en dichter Patrick Lateur, die eerder ook een nieuwe vertaling maakte van de Ilias. Ik ben altijd erg blij als ik hoor dat dit oude verhaal nog in een moderne versie verschijnt of dat er een theatervoorstelling wordt gemaakt van een antiek stuk. Pas als niemand er meer over spreekt, zijn deze oude verhalen echt dood. Maar tegelijk ervaar ik telkens een soort vrees: wie gaat dit boek nog lezen? Wie gaat naar dit theater komen kijken? Ongegrond. Ik heb me moeten haasten om nog aan tickets te geraken want die waren in een mum van tijd uitverkocht. En zelfs wanneer ik in de schouwburg zit, dan nog denk ik, wat als we hier straks haast als enige zitten en de stoelen leeg blijven? Maar nee, de zaal stroomt vol en ik zie zowel ouderen als jongeren. Je zou je dus kunnen afvragen waarom. Wat heeft deze oude tekst ons nog te vertellen? Wat spreekt jongeren er in aan? Wij die met z’n allen voortdurend met de blik gericht zijn op smartphones die een constante golf produceren van wisselende beelden en zo kort mogelijke woorden, hoe zijn er dan nog mensen die het geduld kunnen opbrengen om naar zo’n lang verhaal te luisteren? Is dit geen pure tijdsverspilling in een wereld waar alles zo snel mogelijk moet? Voor mij, en gelukkig ook voor anderen, is het een verademing. Het is een ode aan de taal, het is een ode aan dat wat mensen verbindt. Deze tekst gaat over het leven en daar kan iedereen zich in herkennen. In deze wereld gebaseerd op consumptie, telt hoofdzakelijk het einddoel. We kopen telkens Ithaka’s in de hoop dat we er rijker van worden. Altijd opnieuw worden we ontgoocheld. Homeros herinnert ons aan iets, wat we uit het oog verloren. Niet het reisdoel op zich is belangrijk, maar de weg ernaartoe. De zoektocht, de belevenissen, de ervaringen, de mensen die je onderweg ontmoet. Zij maken het verhaal, zij geven waarde aan Ithaka. Wat van de Odyssee een meesterwerk maakt is naast de ode aan de taal, de aandacht die gericht is op het uitgestelde verlangen. Er zit heel wat wijsheid in vervat die ook vandaag nog actueel is. En net daarom is het de moeite waard om het te lezen.

‘Filoxenia’ is een begrip dat reeds aan bod komt bij Homeros. Ook in het huidige Griekenland is ‘gastvrijheid’ nog steeds erg belangrijk. Wanneer je ergens verblijft bij een lokale eigenaar, krijg je vaak bij aankomst een zelfgemaakt gebakje, of ‘gluko tou koutaliou’, een soort gelei gemaakt van vijgen of andere vruchten die gepresenteerd wordt op een lepeltje, een glas water en koffie aangeboden. Of je wordt spontaan mee uitgenodigd voor een etentje of feest. Er wordt altijd meer eten gekookt dan nodig en aan tafel is er altijd nog plaats voor iemand extra. We moeten eerlijk bekennen dat wij in ons land vaak gereserveerder zijn.

Maar hoedanook anders is het wanneer je een reiziger bent of een vluchteling. Dit wordt duidelijk in de selectie van foto’s uit ‘Mediterranean. The continuity of man.’ die meereist met de theatervoorstellingen. Met dit werk wou de fotograaf Nick Hannes een beeld schetsen van de Mediterrane regio in verandering zoals de crisis in Griekenland en de bootvluchtelingen waarbij thema’s als migratie, urbanisatie en massatoerisme centraal staan. Het is niet moeilijk om de link te leggen met Odysseus, die dezelfde zeeën bevoer, zelf veroordeeld werd tot een zwerversbestaan en ook moet rekenen op de ‘filoxenia’ van de inwoners. Zijn tocht is er ook één vol ontberingen en tegenslagen. Bij de foto’s werden citaten uit de Odyssee toegevoegd. Het is soms verbazingwekkend hoe groot de gelijkenissen zijn.

“Maar aangezien u onze stad, ons land bereikt hebt,

zal het u aan kleding niet ontbreken,

evenmin aan al wat toekomt aan iemand die veel tegenslagen kent,

een smekeling die in ons midden komt.”

(Odyssee, zang 6)

Hiking met Manolis in Zagoria – de Vikos kloof

20160507_100909Vandaag hadden we opnieuw afgesproken met gids Manolis die ons de dag ervoor meegenomen had voor een hike langs de verschillende dorpen in de Zagori met hun karakteristieke, oude bruggen. We zouden elkaar ontmoeten in het dorp Monodentri waar de hike door de Vikos kloof begon.

Tijdens de eerste tocht had ik Manolis geïnformeerd naar de moeilijkheidsgraad van de hike door de kloof. Ik vroeg hem of het enigszins vergelijkbaar was met de Samaria kloof in Kreta. Hij had toen lichtjes hoofdschuddend gereageerd. Ik bekende dat ik toch niet helemaal zeker was of ik de tocht wel zou kunnen. ‘Als jullie stappen zoals vandaag zal het wel lukken. Trouwens, veel hangt ook af van je psychologische ingesteldheid.’ Hij had waarschijnlijk gelijk. Helaas had ik een slapeloze nacht achter de rug en had ik spierpijn van de vorige tocht, maar ik was vastberaden. Nu ik hier was, zou ik de kloof doorlopen.

20160507_105441Aangekomen in Monodentri waar we hadden afgesproken, was Manolis nergens te bespeuren. We stapten uit om een kijkje te nemen en werden vriendelijk aangesproken door een koppel Amerikanen op leeftijd. Ze wensten ons veel succes en verzekerden ons dat het echt de moeite waard was. Het liep al tegen half tien. We hadden afgesproken om negen uur, we begonnen het vreemd te vinden dat Manolis er nog steeds niet was. Dus besloot één van ons hem gauw even te bellen. ‘Hello, is it Manolo the guide? We had an appointment…’ Hoewel ik Manolis door de telefoon hoor schreeuwen, is hij moeilijk verstaanbaar. Ik maak er uit op dat we wel in het goede dorp zijn, maar niet op de juiste plaats. We kruipen allen weer het busje in en rijden een klein stuk terug naar beneden waar de ‘plateia’ is. Gelukkig zien we daar Manolis al zwaaiend staan. We parkeren naast zijn pick-up truck. ‘Are you guys ready?’ Gezien de tocht zo’n zes à zeven uur in beslag zal nemen, is het belangrijk op tijd te vertrekken. We nemen onze rugzakken uit de auto en de houten wandelstokken die we van Yiannis hadden meegekregen deze morgen. We lijken net moderne herders. Maar dat de stokken echt wel handig zijn, zal gauw blijken.

We lopen een kort stuk langs een wandelpad waarna we uitkomen bij een soort trap die uit rotsblokken bestaat. Hier begint de afdaling naar de kloof. Het herinnert mij meteen aan de Samaria kloof waar je vanaf het Omalos plateau afdaalt via de ‘Xyloskala’, een ‘houten trap’ naar de kloof zelf. Het is opletten geblazen, de afgesleten rotsblokken zijn vochtig en glad. Af en toe houdt Manolis halt om een bloem of plant aan te wijzen zoals wilde orchideeën waarover hij ons dan kort iets uitlegt. De kleine pauzes zijn welkom. Ik vermoed dat we al zo’n kwartier dalen. Mijn kuiten en knieën zijn beginnen trillen en ook mijn tenen doen pijn in mijn schoenen.

Ik ben blij als we de kloof zelf bereiken en verbiedt mezelf te denken aan het feit dat we straks ook terug omhoog moeten. We lopen alleen, er lijkt verder niemand hier. Manolis zegt dat het eerste deel van de tocht het zwaarst is, in de namiddag komt een gemakkelijker stuk. Het duurt niet lang of we staren met opgeheven hoofd naar de indrukwekkende rotspartijen die hoog boven ons oprijzen. Beneden buldert het water van de rivier. De wanden langs de bedding zijn begroeid met struiken en lage bomen. In de bedding zelf liggen grote, witte keien. Soms wordt de loop van de rivier onderbroken door grote rotsblokken die beneden zijn gevallen. Het schuimende water beukt er woest tegenaan. Al stappend door deze adembenemende natuur, voel je je als mens heel klein. Hier is de natuur heer en meester.

We volgen een pad dat hoog langs de bedding loopt. We moeten dalen en klimmen, over en onder boomstammen kruipen. Op een bepaald moment verandert het parcours van level. Doordat het water nog vrij hoog staat, moeten we hier en daar over grote rotsblokken klimmen. Dan ineens komen we aan een steile wand die versperd lijkt, aan de ene kant kolkend water, aan de andere hoge rotsblokken. Wanneer we naderen, wijst Manolis ons op een touw dat vastgehaakt zit aan de wand. Er is ook een soort net bevestigd waaraan we ons kunnen vastgrijpen. Mijn keel knijpt dicht. Hoe geraak ik daarover? Wat als ik uitglijd? Maar er is geen andere weg, we moeten klauteren. Ik grijp het touw vast en zoek waar ik mijn voeten kan plaatsen. Het lukt! Voor ik het weet bereik ik de overkant. Het voelt als een kleine overwinning op mezelf. En op één of andere manier herontdek ik ook het kind in mij, want ik deed toen ik klein was niets liever dan overal opklauteren en in klimmen. Even verder moeten we nog eens over hoge rotsblokken. We helpen elkaar, steken een hand uit om de ander erover te helpen. Manolis, die als geoefende hiker de hindernissen zo genomen heeft, neemt foto’s van onze klauterpartijen. Onze inspanningen worden beloond, we zijn aangekomen bij een plaats waar de rivier tussen de hoge rotsblokken een soort zwembad heeft gevormd. Wanneer de temperatuur hoger is, kan hier worden gezwommen. Nu wij hier zijn, is het water nog veel te koud. In plaats van te zwemmen, klimmen we met z’n allen op een hoge rots als een soort uitkijkpunt. Manolis neemt nog een foto. Daarna zet hij er weer stevig de pas in.

We stappen nog een uurtje en komen dan bij een plaats waar er een kraantje is met bergwater. Onze gids stelt voor om hier te lunchen. We zoeken elk een plekje om te gaan zitten en verdelen het lunchpakket dat Rita voor ons heeft gemaakt. We hebben broodjes en overgebleven, rood geverfde Paaseieren. Ik heb geen honger, maar dwing mezelf toch iets te eten. De appel houd ik voor straks. Het duurt niet lang of er komt een andere groep aan. Manolis staat recht en vraagt of we kunnen vertrekken. Hij blijkt ook één van die mensen te zijn die de rust van de natuur verkiezen boven het gekwetter van mensen. Het kan ook bijna niet anders. Wie in deze desolate streek woont, moet wel van alleen zijn en stilte houden. Ik ben ook blij dat we vertrekken. Omdat ik ook het liefst in stilte verder wandel en omdat door het zitten mijn lichaam afkoelt en mijn spieren verstrammen. Onze flessen hebben we bijgevuld met fris bronwater. We kunnen verder. Manolis zet er weer stevig de pas in. Het bos en de stuiken worden steeds dichter, het lijkt bijna een jungle. De flanken zijn hier dichtbegroeid met een plant die witte bloemen draagt. Hij scheurt een blad af en laat er ons aan ruiken. ‘Wat denken jullie dat dit is?’ Wanneer we er één voor één aan ruiken, dringt de herkenbare geur van look onze neusgaten binnen. ‘Dit is daslook,’ verklaart Manolis, ‘we gebruiken deze plant vaak in salades.’

Het pad dat parallel loopt met de rivier is echter goed begaanbaar en er zijn nu weinig hoogteverschillen. Een keer versmalt het pad erg en wanneer we langs de wand stappen, rollen witte kiezelstenen de afgrond in. Daarna volgen open plekken die ons een prachtig uitzicht bieden op de majestueuze rotsen. Manolis toont ons de kleurverschillen in de rotsen aan die wijzen op telkens andere geologische tijdperken. De uitleg is boeiend. De open plek die afgezoomd wordt door struiken is ook de ideale gelegenheid om je achter de bosjes te verbergen en vlug een sanitaire stop te maken. Ook dat is wandelen in de natuur. We zijn niet ver meer af van een splitsing. Het ene pad maakt een kleine ommetoer en komt uit bij de bron waar de Voidomatos rivier ontspringt. Manolis zegt dat het de moeite waard is, want het water heeft speciale kleurschakeringen, maar hij twijfelt. Met zijn ogen speurt hij de hemel af. Dikke loodgrijze wolken komen onze richting uit. Ze hebben onweer voorspeld. En als we niet tijdig de kloof uit geraken, wordt het gevaarlijk. We beseffen niet echt wat het gevaar precies inhoudt, maar Manolis wordt er in ieder geval heel onrustig door. Het zou jammer zijn mochten we de bronnen niet zien, maar gezien zijn ervaring als gids vertrouwen we op z’n oordeel.

Aangekomen bij de splitsing, werpt hij nog een onderzoekende blik op de hemel. ‘Kom, laten we snel gaan kijken.’ We slaan het pad in richting de bron van de rivier. Wat ben ik blij dat we hierheen zijn gegaan, het is werkelijk prachtig! Op de plek waar de bron ontstaat, heeft het water een diepblauwe, turquoise kleur. Verder weg van de bron, gaat het blauw over in wit schuim, dat op zijn beurt weer overgaat in compleet transparant water. Je ziet de volledige ondergrond en afhankelijk daarvan kleurt het water bruin van de keien of eerder groen van het mos dat erop groeit. Ook andere mensen genieten in stilte van dit prachtig stukje natuur. Ik vraag of hij geen verhalen kent over de Naiaden, de riviernimfen. Dit lijkt me de ideale plek. Maar daar heeft hij geen weet van. Sommigen hebben hun stapschoenen uitgedaan en baden hun voeten in het verkoelende water.

20160507_14133920160507_145830Een donderslag weergalmt. Manolis richt z’n ogen naar de hemel. ‘Let’s go guys!’ We zouden wel nog wat langer willen blijven, maar het onweer nadert. Het laatste deel van de tocht is aangebroken. Het landschap verwijdt zich en voor ons richt een immens hoge rotswand zich op. Ik zie een smal pad tussen de begroeiing dat naar boven slingert. Ik denk nee, dit kan toch niet waar zijn! De moed zinkt mij letterlijk in de schoenen, mijn benen voelen zwaar als lood, ik heb geen energie meer. ‘Hoe geraak ik hier ooit boven?’ vraag ik me af. Dit is het verschil met de Samaria kloof, daar hoef je niet terug omhoog om eruit te geraken. Je komt aan bij de Libische Zee waar je gewoon de boot terug neemt. Maar hier niet, de enige weg eruit is klimmen. Ik begin, langzaam, ik probeer niet omhoog te kijken, ik wil niet zien hoever het nog is, ik probeer ook niet omlaag te kijken want dan begint het te duizelen. Het pad is smal, langs de kanten groeit laag struikgewas en een zee van gele bloemen. Er is niets om je aan vast te grijpen. Ik kom maar moeizaam vooruit. Twee van onze groep hebben zich losgerukt, ze klimmen alsof het niets is, ik bewonder hen. Het enige wat voor mij telt, is boven geraken. Traag maar zeker. De grijzen wolken hangen samengepakt boven ons, af en toe weergalmt een donderslag en het is beginnen druppelen. De rosten van het nauwe pad worden nat en glibberig. Dit is dus wat het gevaarlijk maakt. Ik duw mezelf naar boven, hap naar adem. Manolis loopt net iets voor me en wacht me op terwijl hij ondertussen naar de bloemen kijkt. ‘Heb je hoogtevrees?’ ‘Niet echt.’ zeg ik. ‘Neem anders maar m’n nordic stick, je zal meer greep hebben.’ Ik betwijfel of het ding me zal helpen, maar ik neem het toch maar aan. ‘Geef me je rugzak.’ zegt hij vervolgens. Ik schud m’n hoofd. ‘Het zal je helpen als je me de rugzak geeft.’ Ik voel me zwak. Met tegenzin geef ik hem de rugzak. Ik richt m’n hoofd op, bijna de helft. Ik hijg als een losgeslagen hond en het zweet parelt m’n gezicht af. ‘Slowly, but I will get there.’ Manolis glimlacht en knikt bemoedigend. Ik bijt door, maar doordat ik me zo hard concentreer op het fysieke, heb ik nauwelijks nog energie om de omgeving in me op te nemen.

Uiteindelijk bereik ik de top. Ik heb het gehaald. Met z’n allen hebben we de Vikos kloof overwonnen. Volgens het Guinness book of records is dit de diepste kloof ter wereld. We mogen fier zijn! ‘Well done!’ juicht Manolis naar ons, ‘you’ve made it!’ Er is terug genoeg energie om te lachen. Manolis’ vriend staat al te wachten, hij zal ons met een busje terug naar Monodentri brengen. Ik ben beplakt en bezweet, ik verwacht misselijkheid van de te grote inspanning, maar die blijft uit. De twee vrienden babbelen enthousiast de hele rit terug in het Grieks met elkaar. Ik staar door het raam, naar de bergen, zonder echt te horen wat ze zeggen.

Terug in Monodentri stellen we voor om samen nog iets te gaan drinken. Manolis stemt in, maar z’n vriend moet ervan door. Hij stelt voor om naar het cafeetje te gaan in Kato Pedina, Mesochori genaamd, wat hij ons de dag voorheen al had aangeraden om te doen. We zeggen dat we er al heen waren geweest en gerust nog eens wilden terugkeren! De zon was inmiddels terug door de wolken gebroken en we gingen op het terras zitten. De gastvrouw onthaalde ons vriendelijk. We bestelden wijn en enkele mezzedes. Een stoutmoedige kat kwam janken om eten. Ze liep geërgerd rond en daagde de hond uit die bij de deur lag. Toen die reageerde, klauwde ze met haar poot naar z’n snuit waarop die klaaglijk begon te janken. Ze kwam miauwend terug naar onze tafel. Manolis vroeg of we het oké vonden dat hij haar een stuk brood gaf. Er waren twee dingen die mij verbaasden. Ten eerste een Griek die zich ontfermde over een straatkat en ten tweede dat deze kat brood at. In de Zagori is alles anders. Ze liet ons en de hond verder met rust. We vroegen Manolis hoe het met z’n bijen was en stelden hem vragen over de tocht naar het ‘Drakolimni’, het Drakenmeer. Jammer genoeg was het nog te vroeg in het jaar om erheen te gaan. Hoog op de Timfi berg lag er nog sneeuw en de berghut was nog niet geopend. De tijd gleed voorbij en na nog een tweede fles wijn en nog meer mezzedes, werd het dringend tijd om te vertrekken. Rita en Yiannis zouden vast al wachten met het avondeten.

 

 

 

 

Greekimpression

Sharing impressions, creating experiences

Vivre Athènes

Sharing impressions, creating experiences

Family Experiences

Sharing impressions, creating experiences

Life In The Donkey Lane

Trusting the Life, Embracing the Uncertainty

homeingreece

enjoying life in Greece, economic crisis and all!

Katerina's Kouzina

Sharing impressions, creating experiences

Griekse Weetjes

De Griekse KookGek

skopelosnews

a blog about life on Skopelos

Reilen en zeilen in Griekenland

Sharing impressions, creating experiences

Geertje in Griekenland

schrijfsels vanuit de havenstad Piraeus

Ander Griekenland

Just another WordPress.com site

%d bloggers liken dit: